Filosofisch kwartetten

Geef me je vragen en dan krijg je de mijne.

 

Filosoferen, het rusteloos zoeken in de taal waarin we wonen naar antwoorden op onze vragen. Zoals over ons ‘er zijn’ in het ‘zijn’, en waarom en waartoe. Een ‘zijn’ door een evolutie gebracht tot op ons zelf en alles wat we daaraan toevoegen. Met door alle tijden heen steeds weer de vraag hoe daarmee zinvol verder en als praatgraag dier graag in discussie met anderen. Op zoek naar visies en weten hoe die zich bewijzen in die evolutie, inmiddels mede door ons heen. Vooral in tijden van grote veranderingen en daarmee grote onzekerheden. Zinvol dan om ons verleden te herlezen op visies van toen en hoe die zich bewezen.

 

Door de eeuwen heen het spel van filosofen en wetenschappers van , ‘geef me je vragen en ik zal ze beantwoorden met de mijne.’ Voor de westerse wereld begonnen in Griekenland met de verhalen uit de klassieke oudheid. Eerder al ingeleid door antwoorden van vermeende geesten en goden, de verhalen van religies, in Griekenland bijvoorbeeld die van Homerus (ca 800 vCr) De eerste al met tekeningen in grotten, evoluerend tot spijkerschrift en hiërogliefen, en bedoeld om weten en willen vast te leggen en door te geven. Inmiddels ook digitaal en daarmee elektromagnetisch de hele wereld doordrenkend en het heelal misschien wel veroverend. Het product van onnoemlijk veel praatgragen tijdens hun tijdelijk toeven in de wereld. Onze voornaamste erfenis over de generaties heen, tot aan einde van onze tijd. En misschien voor daaroverheen als lezen in het verleden net als kijken tot op de oerknal mogelijk blijkt.

 

Hebben de objecten die we waarnemen een gemeenschappelijk principe? Is er een algemene grondslag voor het alledaagse? Volgens Thales van Mylethe (620-540 vCr), koopman en wiskundige, hij voorspelde de zonsverduistering in 585 vCr, was dat water. Alles ontspringt uit water en gaat daar in ten onder. De kringloop van het leven in het stoffelijke.

Al dicht bij bij het huidige weten van waterstof als begin van alle natuurlijke elementen. Toen nog niet waar te nemen en daarmee geen duidend woord. Thales zocht naar de realiteit van de wereld vanuit de instelling van eerst zien en dan geloven. Een zien dat zich later met technische middelen enorm liet versterken en verfijnen. Lenzen die laten zien van heel klein tot eindeloos ver weg, röntgenstralen dwars door alles heen, radiogolven tot op de horizon van het heelal, weegschalen die zwaartekracht meten, deeltjesversnellers die materie stuk slaan tot op het fundamentele, te zien in nevelkamers. Met voortdurend de vraag wat heeft wat we zien met de echte realiteit te maken. Thales had al deze middelen nog niet maar wel een juiste instelling voor het verhaal voor denken, vragen en beantwoorden. 

Antwoorden tevens beperkt door zijn taal met woorden om te duiden, verklaren, begrijpen, de taal waarin elk bewust denken gevangen zit, waaraan elk spreken onderworpen is. Met daarbij eveneens de talen van beelden, muziek, van de kunsten.

 

 ‘Er is geen enkele manier om zeker te weten dat de dingen zijn zoals we denken.Xenophanes van Colophon (570-475 vCr). Daarbij kunnen we er ook nog van alles bij bedenken. Zoals de goden van Homerus met alle goede en kwalijke eigenschappen die wij mensen hebben. Konden paarden denken dan waren hun goden paarden.

Volgens hem was alles ontstaan uit modder, een idee gebaseerd op zijn waarneming van fossiele resten van zeedieren daarin.

Voorzichtig dus met de claims van ons denken. Toch blijft dat denken belangrijk, vooral om te begrijpen wat en hoe we fout denken, en voor de correctie van vermeende waarheden. Je steeds weer verbazen over je verdwalen in eigen vanzelfsprekendheden, in die zinfilosofisch ingesteld blijven.

 

Heraclitus (600-5400 vCr) zag de wereld als een voortdurend proces van verandering, beweging, van scheiding en vereniging. Een voorloper van het evolutieverhaal van Darwin. Maar wel met vooral mystiek profetische gedachten, niet gebaseerd op steeds beter en nauwkeuriger waarnemen en met nog geen weet van proefondervindelijk bedrijven van wetenschap. De valkuil van het vanzelfsprekend logische en daarom het van zelfsprekend ware. Hij introduceerde de ‘logos’, een eeuwig ontvlammend en weer dovend vuur als oorzaak van de kringlopen in wereldorde. De wereld zit logisch in elkaar en valt door logisch denken te verklaren. Een valkuil als we logisch gaan denken over verbeeldingen in de geest van de eenhoorn.

 

Met die logica kunnen we ons ook van alles verbeelden en tot een logisch verhaal maken. Ook wat niet is, zoals de ‘eenhoorn’.  Parmenides van Elea (510-440 vCr).  Een beest dat we wel kunnen bedenken maar niet kan bestaan. ‘Men kan alleen zinvol denken over wat is, over wat we waarnemen. Maar weten wel wat er allemaal is, nemen we alles waar?’ Het eenhoornsyndroom, het geloven in fictieve waarheden. Het bedrieglijke van gestelde thesen met logisch denken zogenaamd bewezen. Het gemaakte dat een maker bewijst, het  verhaal van ‘oorzaak en gevolg’. Waarheden proberen te bewijzen die nuttig zijn voor de bezweringen van angsten, beheersing van samenleving, berusting in het tijdelijkheid, ter bevestiging van toch iets na de dood en omgekeerd.

 

Terwijl over heel veel beter kan gezwegen worden en is te berusten in niet weten. Maar blijf wel vragen. De stelregel voor de ‘ontologie’, de leer van het zijn en de ‘metafysica’, het zoeken naar het wezen van de realiteit, de dingen, de entiteiten die we waarnemen.  Socrates (470-399 vCr). ‘Onze enige zekerheid is onze onwetendheid - en ook daaraan valt te twijfelen’. Hij verlegde het vragen van de natuur, de stoffelijke wereld, naar de mens, de geestelijke wereld. ‘Ken u zelf, wat is de mens en wat kan die worden? Wat zijn de grondslagen van een goed leven, de juiste moraal voor samenlevingen? Met praten over dergelijke vragen wist hij jongeren van Athene rond zich te lokken en aan het denken te zetten. Plato zou later zijn woorden op papier zetten en die zo toevoegen aan het verhaal van de filosofie. Als gewezen soldaat wist Socrates van het nut van bekwame officieren die de juiste bevelen gaven. ‘Alleen een samenleving bestuurd door wijze mannen kan sterk zijn.’

Athene was in oorlog met Sparta en werd slecht bestuurd  door de heersende kaste, die volgens hem leed aan democratie, het te veel en te willekeurig daaruit gekozen bestuurders, die zich te vaak hadden te verantwoorden op de angora, het marktplein tegenover die kaste. Voor besturen onbekwaam en met bizarre politieke ideeën naar geloven in te vele goden en waarzeggende priesteressen. Hetgeen hij zijn volgelingen graag verkondigde en deze heersers daarmee dusdanig wist te frustreren dat ze hem dwongen tot de gifbeker.

 

Socrates stelde vooral vragen,  Plato (427-347 vCr) probeerde ze te beantwoorden. De wereld van ervaringen, van wat we zien, een illusie. Dat zijn slechts de schaduwen van een domein van ideale vormen die wij op het doek van ons leven waarnemen.  Er zijn dus ideale en onveranderlijke vormen, universele concepten van schoonheid en rechtvaardigheid.  Individuele objecten zoals paarden, tafels zijn alle naar hun ideaalconcept in dat domein. Achter onze verbeeldingen van de werkelijkheid schuilt een de echte, en dat is tevens de ideale. Wat we begrijpen van de projecties op ons netvlies is slechts een zelf ingekleurd beeld van de echte wereld. Volgens Plato in ideale uitvoering aanwezig, te benaderen door te proberen ons kijken steeds beter te begrijpen. Wat voor ons waar lijkt, dat is niet en mag niet waar zijn, moet anders, en wel naar dat ideaal betere. Plato werd daarmee de aanstichter van het idealisme, van het geloof in de betere, de positieve toekomstverwachting als wezen van de wereld waarin en waaruit we zijn.

 

Daarmee ook van de ‘metafysica’, van het zoeken naar dat betere wezen van de dingen, het hogere achter het alledaagse, een almachtige god. Die eenmaal bedacht en verbeeld als die eenhoorn de grondslagen werden van veel illusies, van de religies en ideologieën, het geloof in een bewuste of blinde wil van het hogere, het recht op de waarheid van de logica, de schepping als successtory of als noodlotsgeschiedenis, de gladiolen of de warmtedood van de chaostheorie, van de heel vele blauwdrukken voor een ideale samenlevingen met iedereen gelukkig en een verzadigd leven. Allemaal wel nog steeds schaduwen van wat we in wezen niet mogen weten en knnen zien.

Ook politiek had Plato Socrates goed begrepen, vond ook hij dat een republiek geleid moest worden door een elite van bestuurders, meesters, volgens hem door geboorte daarvoor bestemd. Alleen bekwame bestuurders kunnen hun kinderen daarvoor goed voortbrengen,  opvoeden en opleiden. Toen al de onderkenning van het belang van het niveau van gezin en onderwijs voor de kansen van kinderen. Maar ook de blauwdruk voor het elitaire regiem, de feodale staat met mensen afgericht tot goede en volgzame burger. Meesters die zich wel in de ‘agora’ van de stadstaat hadden te verantwoorden tegen over die burgers. Tevens dus een eerste aanzet tot democratie met controle van bekwame bestuurders door het volk in een publieke ruimte.

 

De inleiding van de vele verhalen van politici die het volk trachten te dresseren voor een maatschappelijk besteld naar hun visies, het willen opvoeden tot de grote ziel voor ethisch en interessant leven, in wijs zijn en de chaos te doorzien, de fakkeltocht niet op te geven maar het te gaan maken, wat er ook gebeurd. Plato leefde in tijden met ferme onzekerheden, die van de Peloponnesische oorlogen, zag dan ook redelijk scherp hoe de hazen liepen. Zijn invloed op latere politieke ideeën is groot. Veel latere filosofieën karakteriseren zich als voetnoten bij die van Plato.

 

Aristoteles (384-322 vCr) introduceerde de classificatie, de ordening van algemeen gedeelde meningen van objectieve observaties van de realiteit en legde daarmee de grondslag voor de empirische wetenschappen.  Wat is het ‘algemeen geldende’ voor iedereen van wat we zien? Met vervolgens de vraag: wat is het doel daarvan, van het levenloze en het levende, vanuit de doelstellingen van mensen. Met zijn antwoord dat alles daartoe een universeel natuurlijke functie heeft en die probeert waar te maken. Daarbij is logisch redeneren de natuurlijke functie van de mens, en diens streven gericht op goed en deugdzaam redeneren.

Een deugdethiek die evolueerde tot de moraalfilosofie van het wezen van de dingen heeft een universeel doel, van er is een fundamentele waarheid achter de dingen van onze alledaagsheid, we zijn naar een hoger iets. Alsmede dat de zuivere mens streeft naar een goed en deugdzaam leven. De voorwaarde voor een eerlijke economie en samenleving. Met een gerechtvaardigd streven naar bezit van materiële middelen om die samenleving steeds beter waar te maken. Een streven dat kan ontaarden in een doel op zich en daarmee die rechtvaardige samenleving om zeep helpt. Koning Midas die door zijn hebzucht alles wat hij aanraakte zag veranderen in goud. Aristoteles voorzag al de consequenties van het feodale, van de monopolisering van bezit, in de Middeleeuwen die van het gemene land, later van de commons in Engeland, in de moderne tijd die van kapitaal.

 

Het verhaal van het doelgericht denken, de leer van het doel, de teleologie, dat de natuurlijke gang van zaken een doelmatige is. Het doel van een fluit is muziek maken. De beste fluit is dan ook voor de fluitist die daarmee de beste muziek maakt. Het doel van de politiek is een deugdzame samenleving. De macht dus aan hen die dat het beste weten waar te maken. Iedereen moet krijgen wat hij verdient en wordt daarmee ook eer bewezen. Sommigen zijn vooral geschikt om slaaf te zijn, en verdienen dat dus. Werken was in zijn tijd vooral iets voor slaven. Meestal krijgsgevangenen en dus zelf gericht op het maken van slaven maar daarbij de verliezers. Een verantwoording van dit fenomeen die heeft hij later wel heeft betwijfeld.

Deze teleologie staat wel de vrijheid van de mens in de weg. Wat is deugdzaam en wie bepaalt dat? Mede een motivering voor feodalisme waarin de besten, vooral dus de sterksten, de macht verdienen en ze daarmee vereren, te adelen. Maar ook het liberale van graag en goed muziek maken en dan ook met het beste instrument. Een persoonlijke vrijheid die anderen niet hoeft te schaden. Niet worden waarvoor je geschikt bent maar wat je graag wilt. 

 

Democritus (469-370 vCr) bedacht voor het fundamentele van de wereld het ondeelbare atoom, dat eeuwig is en niet te vernietigen. Het idee van elementair deeltjes, voor ons inmiddels de bouwstenen van atomen. Voor hem nog naar de alledaagse werkelijkheid, concreet stoffelijk deeltjes. tegenwoordig bezien als zowel deeltje en als golf, of energie, en vooral leegte. Die te zien als we kijken door doorzichtige materialen.

 

En dan het fundamentele van de mens? Volgens Epicurus (341-270 vCr) het willen uitbannen van pijn bij z’n streven naar genot. De filosofie van het ‘hedonisme’. Het Nederland als vooral een gelukkig land met iedereen verzekerd voor gezondheidszorg, de eliminatie van pijn, van een uitkering en recht op euthanasie, integrerende vreemdelingen.  En of de politiek dat maar weet te handhaven en verder te vervolmaken.

Voor dat doel hadden die atomen van Democritus ook een vrije wil, konden die van de menselijke geest ontsnappen aan de noodwendigheid van het determinisme, zo kiezen voor geluk, de afwezigheid van pijn en angst. En de angst voor de dood? Alle angsten zijn van de geest, een constructie van atomen die eens gaat haperen en tot stof vergaat, in eeuwig bestendige atomen uiteenvalt. We zijn ons brein. Denken, een digitaal spel van elektronen in dat brein, door te leven opbloeiend en gedoemd te verzaken en te vergaan. Inmiddels een moderne versie op de ziel, dementie en dood.

Geluk was alleen mogelijk door een deugdzaam leven, niet omdat deugd goed is maar omdat het ontbreken daarvan pijn en angsten veroorzaakt, bij anderen en dat van hen bij jezelf.

Net als Democritus verwierp hij het idee van goden met kennis van menselijk handelen en waardeoordelen daarover. Volgens hem hadden de goden gewoon geen belangstelling voor mensen. Epicurus antwoord op het probleem van het kwaad en het bestaan van een zowel almachtige als liefhebbende god die dat laat gebeuren. Is hij niet almachtig, of kwaadaardig? 

 

Diogenes  (400-325 vCr), leefde heel sober, in een ton, naar z’n natuur en met niet meer dan nodig voor z’n basisbehoeften.  Met als motto: ‘Streef naar zelfbeheersing en zelfvoorziening’.  Al het bestaande bezag hij met cynisme en agressiviteit, bewees het als overbodig en zinloos met zijn genoeg hebben aan een ton. De bron van ascetisme, de reine levenswandel door beheersing van hartstochten en begeerten, de provo die geen boodschap heeft aan de wereld, het agressief alternatieve, van hen die denken voor op te lopen maar in feite alleen dwalen, die zich boven het gewone wanen, maar er buiten staan omdat ze er binnen niets betekenen. Zijn tijdgenoten noemden hem de hond. Hij was leuk noch gezellig.

 

Leven in overeenstemming met de natuur was ook de leer van de stoïcijnen, de prediking van de deugdzaamheid in balans met de natuur, de leer dat geluk af hangt van de kwaliteit van je gedachten. De mens was de rede gegeven om het rationele doel van het universum te verkennen en onthullen.  Deze sceptici zetten bij al ons weten een vraagteken, dat de rechtvaardiging van een denkbeeld anders weten nooit uitsluit, dat waar en onwaar altijd betrekkelijk zijn, dat elk weten valt te falsificeren, oordelen over goed en slecht altijd grijs zijn. Een leer met als therapie te berusten in de kloof tussen realiteit en wat wij daarvan vinden, denken, menen te weten.

 

De mens was mede een object van denken, van ‘ik denk en dat ben ik’. Voor een leven met dat ´denken en ik ben´ ook na de dood was een ziel gescheiden van het lichaam essentieel. Bedenken we die toch! Door Plotinus (205-270) in de vorm van een drie-eenheid, die van het universeel Ene, het intellect en de ziel. Het Ene als de bron van de werkelijkheid, het intellect die dat in onze ziel laat oplichten, als die schaduwen van het volmaakte van Plato, en wel door rationeel en redenerend denken. Daarbij kijkt die ziel innerlijk naar om hoog, naar het Ene, en naar buiten naar de natuur. Op dit idee van drie ordes van bestaan, een hogere, het goddelijke, het lagere, de natuur en de menselijke ziel, zal de Christelijke theologie later verder doorborduren. Met rationeel en logisch denken valt van alles te verbeelden, eens al bedacht Parmenides met zijn eenhoorn .

 

Bisschop Augustinus van Hippo (354-430) die wist het dan ook. Wijsheid komt alleen van het geloof en de filosofie is slechts de dienaar van het geloof. ‘Tenzij gij gelooft zult gij niet begrijpen.  Alle mensen zijn in zonde geboren en verlossing is alleen mogelijk door genade van God.’ Hij leidde daarmee de christelijke catastrofe van de filosofie in, die van de mens met een oerschuld en overgeleverd aan de genade van een hogere macht. Die uitbundig zaait om slechts enkelen daarvan te verlossen. De filosofie van het lijden aan het al of niet bevrijd worden van die oerzonde, het onbewust zondig vleselijke, het noodwendig onverbeterlijk slechte in de mens, naar verborgen willekeur te vergeven of te vergelden, aan de onzekerheid van welk leven verloren gaat, verspilling is, het persoonlijk getrokken lot waaraan niets meer valt te veranderen . De radicale ommekeer in de filosofie van intellectueel optimistisch geloof in geestelijke zelfverheffing naar een manisch depressief afwachten van wat en wie die duistere wil welgevallig zal zijn. Heel goed verbeeld in het boek ‘knielen op een bed violen’ van Jan Geurt Siebelink  (1938)                    

‘Wie God welgevallig wil zijn zij zichzelf onwelgevallig’. De christelijke liefde die wil haten, van oog om oog, tand om tand, van het zwaard, van gij zult lijden.

Calvijn (1509-1564) zal doorgaan op dit doemdenken van deterministisch voorbestemd zijn voor een eeuwigheid hemel of hel.

 

Boëthius (480-524) bedacht enige vertroosting van deze noodwendig lot. De substantie God was alleen goedheid, terwijl de mens vrij is daarvoor te kiezen. Aangezien God van alles en dus ook van deze keuzes voorkennis heeft, wordt naar dit determinisme alleen het kwade gestraft. De goedgelovigen hadden dus niets te vrezen.

 

Aristarchus van Samos (310-230 vCr) was waarschijnlijk de eerste die de aarde rond de zon zag draaien. Copernicus (1473-1543) zou dit idee verder onderbouwen. Door de uitvinding van de telescoop kon Galilei (1564-1642) deze theorie bevestigen met eigen waarnemingen. Daarbij ontdekte hij ook ons melkwegstelsel met miljarden sterren. Ook de wet van de constante versnelling van vallende lichamen, die van de inertie, namelijk dat een massa met een bepaalde snelheid die behoudt als daar geen krachten op werken. Hij stelde tevens dat de natuur zich laat beschrijven met de taal van de wiskunde, inmiddels de taal van veel wetenschappen. Volgens hem gingen die dan ook vertellen wat wel en wat niet waar was. Het vertrouwde onder en boven met hel en hemel werd een stofje in een eindeloos heelal. Religies waren hier niet van gediend.

 

Maar de geest was uit de fles. In aansluiting hierop ontwikkelde Newton (1642-1727) de theorie van de zwaartekracht en de daarop aansluitende bewegingswetten. De aantrekkingskracht van twee massa’s is rechtevenredig met hun gezamenlijke massa en omgekeerd evenredig met het kwadraat van hun afstand. Een natuurkundige wet door hem bewezen met de planeten die draaiden om de zon, de maan die de getijden op aarde veroorzaakte.  De natuur kreeg mechanisch wetten, de filosofie werd rationeel. Nog even verder alles onderzoeken en bewijzen en de wereld was verklaard en alle filosofen waren overbodig. Wetenschappers bewezen immers vastigheid en zekerheid, vertelden hoe wat werkte en wat niet en namen zo hun taak over. Wel met dank aan de maker van die wereld en de bedenker van die wetten. Vooral de natuurwetenschappen kregen een heilige status, een gezegende, mede omdat ze technisch toegepast tot veel praktisch bruikbaars leidden, ons openbaarden wat de schepping allemaal voor ons in petto had, ons hielpen de grillige natuur te temmen, de boog van kogels exact lieten berekenen. De kwalijke kanten van al deze kennis en de betrekkelijkheid van dit weten hadden we nog te ervaren.

 

Een gemeenschap is naar de filosofieën waarvoor de heersende machten kiezen om hun doelen te realiseren. Die gesteld stelt zich de vraag welke middelen mogen deze meesters zich veroorloven. Met welke kwalijke regiems mogen we deals sluiten?

‘Het doel heiligt de middelen’. Onder voorwaarde dat er sprake is van ‘een goed bestuur’. Het antwoord van Machiavelli (1467-1527). Daarbij is de keuze voor het goede doel belangrijker dan die van de middelen om ze bereiken. Voor een goed doel is dan ook alles geoorloofd, want uiteindelijk komt immers het goed. Al het mogelijke moet dan mogen. Een welkome filosofie tot op ons heden voor veel meesters die het voor het zeggen hebben.

 

Het weerwoord hierop kwam van Erasmus (1466-1536), tactisch verpakt in satire en kritiek. In zijn ogen waren de elites van zijn tijd, die hij te vrezen had, vooral kwalijk bezig en het zicht op goede doelen volledig bijster. Die waren dan ook slecht gediend van zijn vernieuwend en bespottend denken en veroorloofden zich alle middelen om dergelijk denken te bestrijden. Met als sussende woorden van deze filosoof ,‘laten we elkaar vooral liefhebben’, ook in de politiek. Tegenwoordig het politiek accent op empathie. ‘En laten we daarbij vertrouwen op de menselijke rede die God begrijpt als goed en deugdzaam.’ Een aanzet voor geloven in de mens en daarmee een inleiding van opkomend humanisme, het inzetten van de rede voor het bereiken van doelen, voor hem vooral dat van het leven van mensen in vrijheid in vrede. Volgens hem alleen mogelijk in een samenleving met tolerantie voor alle geloven en wetenschappen.  Als goed katholiek had hij dan ook begrip voor de opvattingen van andersdenkenden als Maarten Luther (1483-1546). In zijn lof der zotheid prediceerde hij wel wat goed christendom inhield en wat er hier en daar met aflaten en zo goed fout zat. Ook ging hij te keer tegen het overal ontluikende nationalisme, de Engelsen die de Fransen verachten alleen omdat ze Fransen waren, het idee van solidariteit alleen in eigen kring en klasse, het eigen volk eerst.

 

Maatschappelijk zat er eveneens heel veel goed fout. Thomas More (1478-1535) reageerde op de toenemende verpaupering in zijn land, Engeland, door de privatisering van de gemene gronden, met zijn ‘Utopia’, een soort christelijk communistisch manifest voor een betere en menswaardiger samenleving. Geïnspireerd door verhalen over indianenvolken die alles samen deden en deelden, toen de mens nog leefde op de voor iedereen vrije steppen. Zijn denkbeeldige samenleving was simpel, uiterst ascetisch, kende geen persoonlijk bezit, met iedereen sober gekleed, gehuisvest in strik uniforme steden, met voor allen gelijke regimes van arbeid en lijfeigenen, mensen die straf verdienden. Al met al uitzonderlijk saai en in wezen niet erg menswaardig. Een samenleving waarin hij zeker niet zou passen, die hij mogelijk meer zag als een exercitie. Maar wel een stimulans voor velen om ook utopische, sociale, ideale samenlevingen te bedenken. Die deels gerealiseerd in de twintigste eeuw zich bewezen als niet de oplossing voor armoede en onrecht, dat zomaar bedachte ideologieën niet werkten. De reden van de huidige afkeer tegen alles wat naar utopieën riekt. ‘Blauwdrukken voor de toekomst, nee! Visie is als de olifant die het uitzicht beneemt.Mark Rutte (1967). Wim Kok (1938) die zich bevrijdde van z’n ideologische veren die hem hinderlijk voor de ogen hingen. Terwijl de actualiteit wel het falen van huidige paradigma’s bewijst en het inmiddels vooral afwachten is tot nieuwe het voortouw nemen. Bijvoorbeeld op oplossingen bieden voor de huidige verpaupering in de grote metropolen met sloppenwijken, in falende staten. Visie dus, maar wel pragmatisme en na zorgvuldige analyse van deze actualiteit en z’n oorzaken. Het verlossende woord moet toch komen van filosofen als Thomas More, mensen die menen dat bepaalde actualiteiten niet waar mogen zijn.

Communistisch geïntrigeerd ontwierp de architect Le Corbusier (1887-1965) het ideale dorp, een flat op kolommen voor de huisvesting van de boeren, een schuur voor de gezamenlijk te gebruiken landbouwmachines en silo’s voor de oogst. De volmaakt egalitaire en steriele commune. Een stad langs de kust bedacht hij als een lange lint hoogbouw met voor iedereen uitzicht op zowel de zee als een fraai landschap. Iedereen in hoogbouw, liefst op poten voor optimale vrijheid op de begane grond met parken, met groen op grote balkons en op daken. Nazi Duitsland deed sociaal met een vijf kilometer lang appartementencomplex voor even vakantie voor de in benauwde industriesteden wonende partijgenoten, de meesten echter gesneuveld en daartoe nooit gekomen. Nu een magisch depressief monument dat te denken geeft. Inmiddels anders uitgevoerd massaal cruisend over zee voor even de wereld verkennen. Stedenbouwers die proberen de van auto’s vergeven steden te heroveren voor het meest elementaire vervoer van de mens, het lopen en dat hooguit mechanisch versneld met fietsen, roltrappen en loopbanden. Het perspectief van binnen een uur van deur tot deur voor woon-werkverkeer, tien minuten lopen en de rest automatisch mechanisch. Net als More blijven velen vinden dat het beter kan en moet en zijn creatief innoverend daarmee bezig. 

 

Kennis is macht en vooral die verkregen door de wetenschap. Francis Bacon (1561-1626). Geef het woord aan rationeel denkers en doeners. De verhalen van Plato en Aristoteles, spinsels aan de binnenkant van het hoofd. Laat de dingen van de wereld hun verhaal vertellen door er almaar en steeds beter naar te luisteren. De methodiek van wetenschap die steeds geavanceerder wist waar te nemen. Objectief observeren en thesen proefondervindelijk, empirisch trachten te bewijzen. De uitkomsten nooit absoluut nemen maar ze steeds weer proberen te weerleggen, almaar blijven zoeken naar de vraag in da antwoord.  De wetten van Newton die niet het laatste woord bleken. Hij gaf zo de eerste aanzetten voor een wetenschapfilosofie.

 

Het thema van wat is kennis, van wat kan ik weten, en hoe vergaar ik dat? ‘Cogito ergo sum, ik denk dus ik ben’, de enige zekerheid we hebben volgens René Descartes (1596-1650).  Er is immers geen onderscheid te maken tussen gedroomd en bedacht leven en het echte. Zijn radicaal sceptische benadering van dit thema. Waarheden openbaren zich in onze geest, en alleen daar, door begrijpen en oordelen, door ons vermogen tot rationeel redeneren, in een taal met woorden waarmee we kennis en ervaring begrijpen, verklaren, ordenen. Wat de dingen vertellen worden zo onze verhalen over wat we vinden dat ze zijn, hun bruikbaarheid, waarmee we ze onder controle krijgen, kunnen maken en benutten, ons er tegen wapenen. Verhalen die alleen nut en zin hebben voor mensen die ze kunnen lezen en de woorden begrijpen.

 

Met Descartes naar de binnenkant van het hoofd, het brein in met z’n relaties met het materiële zijn. Met iedereen naar het lot van de verhalen die het verteld, gedicteerd krijgt en daarmee iets van z’n leven moet zien te maken. De doem van de actuele talen en de behoefte zich daarvan te bevrijden met het bedenken van nieuwe. Zijn ‘ik denk en dus ben ik’ werd tevens de expressie van het dualisme, van een geest los van de stoffelijke wereld, het bestaan van een onafhankelijke en ziel in een sterfelijk lichaam, en onsterfelijk. Het cartesiaanse dualisme.

 

Ik denk en dat ben ik, voor iedereen de zekerheid van zichzelf zijn, het persoonlijke essentiële. Het ‘ik zijn’ dat een lichaam heeft waarin dit zich manifesteert, oplicht zoals licht in een lamp tegen het decor van het genetische bepaalde ‘er zijn’. Dat net als dat licht aan en uit kan, uit even in onze slaap of een narcose, dat zich door dementie laat dimmen, door de dood laat doven. Onze ziel als een functie van onze hersenen. Naar het verhaal van ‘we zijn ons brein’, en daarmee naar de verhalen waarmee dat is geprogrammeerd. Dat kinderen pas mens worden na het ze vertellen van verhalen, en als dat uitblijft niet, ze alleen dat decor van driften en instincten blijven. Dat mensen van elkaar verschillen, niet door hun uiterlijk maar hun innerlijk, naar de verhalen waarin ze geloven en waar naar ze handelen. Dat integratie vooral is het op één noemer brengen van ieders eigen verhaal. Dat de conflicten van onze tijd zich vooral daarop vooral toespitsen. Met als oplossing de vrijheid voor ieders ‘ik denk en dat ben ik’. De noemer waarop ieders verhaal mag dat die noemer erkent.

 

 

‘Alles in het universum is één,’ Baruch Spinoza (1632-1677), en dat ene is wat wij God noemen en die besloten is in de natuur’. Deze werkelijkheid is oneindig en naar z’n eigen wil. Alles, dus ook mensen zijn een expressie van die natuur. De mens is onderdeel van dit in wezen goddelijke  en heeft daarin ook geen vrije wil. Denkt wel vrij te zijn maar is in feite alleen maar zich bewust van dat denken en het daarnaar handelen. Manifesteert zich in en naar deze natuur naar eigen rede en niet naar enige openbaring of profetie. Een eerste inleiding van ‘de vrije wil bestaat niet en de mens als bewuste automaat’. Victor Lamme (1959). De intelligentie van de mens naar de natuur, kunstmatig naar de wil daarvan. De natuur die Spinoza ziet als goddelijk en daarmee in essentie goed en volmaakt. Het praktisch volmaakte dat mogelijk is naar de natuur, z’n natuurwetten. Tegenwoordig gerealiseerd in al het materiële dat we technisch produceren en we als kwaliteit beleven. Steeds beter naar mate we meer weten van die natuur.

Als radicaal natuurfilosoof was Spinoza tevens inleider van een atheïstisch materialisme en een noodwendig lot besloten in de oerknal. Die z’n voltooiing zoekt in het praktisch volmaakt materiële mogelijke naar z’n natuurwetten en uiteindelijk de menselijke ratio. In eerste instantie een onbewust blinde evolutie, die met het leven een genadeloos eten en gegeten werd en met de mens ziende en bewust op zoek naar zin en moraal. De universele uitkomst voor naar menselijke rede georganiseerde samenlevingen van autonome mensen. Die ieder voor zich proberen zingevend te zijn met dat volmaakt materiële. Vanuit de zuivere rede, naar z’n natuur, de genen, z’n geschiedenis, tradities, mentaliteit, moraal. Verf, doek, penselen, die krijgt de schilder praktisch volmaakt aangereikt. Maar het schilderij daarmee gemaakt is altijd uniek en naar het niveau van de maker. De kanker die we eens zullen beheersen en uitbannen maar steeds zelf veroorzaken. De praktisch volmaakte wapens om vrede en veiligheid te garanderen, die zo nu en dan af gaan en dan de kwaliteit van samenlevingen grondig verzieken.

De mens naar het universum, de essentie van ons heelal en daarmee naar God. Een noodwendig zijn naar een causaal, deterministisch gebeuren, alleen te begrijpen door juist te redeneren en vrij en onafhankelijk te leven. De mens moet vrij zijn om naar z’n eigen waarden die noodwendigheid te leven. Het bruikbare van de wereld waarin en waaruit we zijn op de goede manier benutten. Aan de politiek om dat voor iedereen mogelijk te maken. Uiteraard alleen mogelijk in een tolerantie, een democratische samenleving. Dan ook niet in die van Spinoza, een Nederlands Joodse gemeenschap, die hem gezien zijn visie op God in de ban deed. Zijn ideeën over een vrije en democratische republiek Nederland zag hij sneuvelen met het lynchen van de gebroeders de Witt. Het verhaal van Spinoza als inleiding in de lage landen van de verlichting en het humanisme. 

 

Gottfried Wilhelm von Leibniz (1646-1716) bedacht monaden als de ultieme bouwstenen van het materiële, zoiets als de atomen van Democritus, maar dan niet materieel en in de menselijke ziel aanwezig als een psychologische entiteit. ‘Elke waarheid is daardoor een noodzakelijke waarheid die in de schepping besloten ligt, die God zo tot de best mogelijke heeft gemaakt’. Deze nomaden maakten mensen naar de daarin besloten wil en met nauwelijks een vrije wil. Ceasar had niet niet de Rubicon kunnen oversteken en u niet niet dit verhaal kunnen lezen. In die nomaden zit dit alles immers besloten, is alles wat we doen goddelijk gewild. Een verhaal dat aansluit op dat van Spinoza met eveneens een deterministisch universum. Met begrippen die vooruit lopen op de problematiek van het natuurkundig elementaire ontstaan bij de oerknal. In hoeverre zijn die nog materieel, wat willen ze en waartoe leiden ze? In de evolutie manifesteren ze zich met informatie hoe het materiële moet, in sterren dicteren ze de elementaire elementen. Welke rol spelen ze, wat beslissen ze en hoe bepalen ze ons leven, sturen ze ons immaterieel denken en handelen? Het actueel weten van wetenschappen dat dat exact weten van Newton laat vervliegen tot vage vermoedens. De actuele discussie over wat zwaartekracht veroorzaakt.

 

Voltaire, de pseudoniem voor François-Marie Arouet (1694-1778). Als prominent schrijver en vrij gevochten denker van grote betekenis voor de verlichting van veel mensen. Ook mede schuldig, een van de aanstichters van de Franse revolutie vond Goethe (1749-1832), de man die literatuur en dichtkunst tot grote hoogte bracht. Voltaire bevocht graag al het bijgeloof en daarmee alle geloven, was een voorvechter van de rede en de vrijheid van meningsuiting. Als satiricus was hij niet altijd geliefd. Hij had ook iets tegen Joden, zacht uitgedrukt. Hij was vooral een origineel denker in de geest van zijn tijd en in die zin een bewonderd voorbeeld voor velen.

 

‘De mens wordt vrij geboren maar leeft geketend naar de algemene wil van het volk’. Jean- Jaques Rousseau (1712-1778). Die wil moet dan een rechtvaardige grondslag zijn, een ‘contrat social’ voor samenlevingen gebaseerd op de soevereiniteit en gelijkheid van mensen. En is noodwendig naar die algemene de mens ketende wil, z’n geschiedenis, het verhaal dus door de mens heen ontstaan en dat door de mens heen verder evolueert. Een hogere wil waaraan het volk maar heeft te gehoorzamen, te waarborgen door democratisch gekozen heersers.

Deze wil, af te leiden uit dat door de mens heen ontstane kennis en ervaring, noteerde hij samen met Denis Diderot (1713-1784) in hun encyclopedie. Bedoeld als document ter bevrijding van het volk van de ketenen van het absoluut geloven en het feodalisme.

 

Denis Diderot (1713-1784) werd door zijn speculaties over de oorsprong van het leven buiten goddelijke interventies om een voorloper van Darwin. Ook een inleider van het denken van Carl Gustav Freud (1875-1961) door zijn onderkenning van het belang van ervaringen in de jeugd, en dat de geest, het zelf zijn, niet altijd meester is in eigen huis, dat ons bewuste veel onbewuste verlangens en herinneringen onderdrukt. Het conflict in de mens tussen wat goden willen, via maatschappelijke conventies, en wat de instincten verlangen en dat rationeel en redelijk te verwerken.  Een innerlijke strijd volgens Freud aan het licht te brengen  en op te lossen door psychoanalyse. Daarbij introduceerde hij de variant op ons ‘er zijn’ van het Überich, het Ich en het Es. Het Überich, de maatschappelijke moraal, een cultureel keurslijf van hoe het hoort en wat wel en niet mag en waarin iedereen gevangen zit, het Es, het iedereen aangeboren en onbewuste van driften, dromen, gevoelens, verlangens, het Ich, het bewuste willende en denkende ik dat deze beide in de mens woelende machten in balans moet zien te houden. En als dat niet lukt op de divan van mensen als Freud terecht kan voor analyse.

 

Carl Gustav Jung (1875-1961) accentueerde dit persoonlijk onbewuste Es als een collectief onbewuste, een samen zijn in een geestelijk universum. Dat zich openbaart in dromen, mystiek, religies met archetypen. Met één daarvan ‘de moeder’, dat wat geborgenheid, voedsel, troost biedt, een door evolutie ingebouwde basisbehoefte. Een archetype dat niet alleen staat voor de biologische moeder maar ook voor het moederinstituut, de familie, kerk, staat, nationalisme, socialisme. Van hem zijn ook de begrippen ‘introvert’, de zich in zichzelf verdiepende mens en ‘extrovert’, de zich vooral uitende mens en geïnteresseerd in anderen. Met zijn voorkeur voor het gerijpt persoonlijke zoekende naar de juiste balans, die de dood zal verwezenlijken.

 

‘De geest is bij de geboorte nog onbeschreven, een schone lei,een ‘tabula rasa’, aldus John Locke (1632-1704) . Al onze kennis is naar wat we verteld krijgen en naar eigen ervaring, empirisch. Er is geen aangeboren kennis. Hij ziet de mens dus volkomen vrij en verschoond van iedere noodwendige algemene wil, van onbewuste invloeden, ingebouwde archetype, deterministische lotsbestemming. Volgens hem was die vrijheid van leven en bezit een van hoger hand gegeven natuurrecht. Een persoonlijk recht dat alleen te garanderen viel samen met anderen, in een gemeenschap met een overheid naar gezamenlijke instemming daarover. Een ‘sociaal contract’ van mensen op dat recht voor iedereen gericht en daartoe beperkt. Een contract dat echter nooit meer kan zijn dan een schaduw van het Platonisch gedacht hogere, in zijn tijd vooral die van God. Samenlevingen zijn nooit te vervolmaken, moeten zich neerleggen bij het actueel pragmatische. Een duidelijk politiek liberaal standpunt. Het liberalisme zal zich later dan ook zien als hierin geboren, de politiek met het accent op het grondrecht voor iedereen van vrijheid en eigendom. Voor zover de uitoefening van de vrijheid die van anderen niet schaadt. Met wel in plaats van die hogere wil die van in onze instincten gecodeerde wil, die van de wil tot overleven en zich voortplanten, die van de empathie, dit samen met anderen willen doen met een ‘social contract’.

 

Alfred Adler (1870-1937) sluit later aan op die schone lei, maar ziet de mens wel geboren met een aantal kenmerken, met kaarten waarmee het leven te spelen is, doch wel vanuit creativiteit. Ras, geslacht, ouders arm of rijk, hoog of laag opgeleid, dat alles krijg je mee. Met vier jaar is een kind daarmee gevormd, heeft het zijn roeping, vaak gepaard met complexen van minderwaardigheid. Waarmee het vervolgens wel vrij aan de slag kan om die te overkomen, te streven naar een eigen waardigheden. In die zin die schone lei, een vrij te beschrijven geest.  

 

Met de mens gezien als een product van evolutie, van zowel genen als verhalen, nog steeds een boeiende vraag. In hoeverre is er sprake van aangeboren kennis? Vogels weten vanzelf hoe nesten te bouwen, mieren hoe met elkaar samen te leven. Baby’s kunnen meteen de borst vinden, het vermogen tot taalvaardigheid lijkt aangeboren. Veel van ons gedrag is te herleiden tot driften en instincten naar de genen die we meekrijgen. Ons vermogen tot oordelen en waarnemen begint niet met een onbeschreven lei, een reine geest, is naar de evolutie van het brein vanaf de eerste vormen van dierlijk leven. Ook een standpunt.

 

De maatschappelijke vraagstukken van een complexer economie met steeds geavanceerder technieken, toenemend privébezit en gevarieerder werkgelegenheid, daagden ook filosofen uit tot oplossingen te bedenken, tot politieke stelling name. Welke krachten beheersten de economie en welke politiek was de  juiste, de meest rechtvaardige? Met voor het conservatief liberale gedachtegoed tot op heden inspirerend Adem Smith (1723-1790). ‘Als iedereen zijn eigen belang nastreeft dan wordt daarmee ieders belang gediend.’ Ondernemingszin met als doel rijk te worden zorgt voor producten en voor werk en daarmee inkomen om die producten te kunnen betalen. En in concurrentie met velen met die zelfde instelling zo goedkoop mogelijk.  De zegeningen van de vrije markt zonder monopolies. De universele hebzucht als filantropisch geschenk voor de samenleving, het fundamentele recht op bezit tot in het extreme. Het einde ook van de gilde, de garantie van vakbekwaamheid, betrouwbaarheid, een rechtvaardige prijs.

In feite het opzeggen van het bedachte idee, de filosofie van de solidariteit, in religies van de zorg voor de naasten. Ieder voor zich en God voor ons allen naar zijn hogere wil, verankerd in de menselijk genen met instincten voor overleven. De overheid kon zich beperkt houden tot het handhaven van recht en orde, het garanderen van die vrije hebzucht in concurrentie. Een vrije samenleving regelde dan die rechtvaardige economie voor iedereen als vanzelf.

 

De industrialisatie leidde echter tot ongebreidelde uitbuiting van een sterk groeiende nauwelijks nog overlevend proletariaat, haalde daarmee deze filosofie onderuit en dwong overheden tot maatregelen, soms zelfs om bevolkingsgroepen van de hongerdood te redden. Problemen die leidden tot nieuwe politieke inzichten, meningen over de in de mens aanwezige wil tot solidariteit, z’n genen met ook het instinct voor empathie. Maar meningen zijn nog geen waarheden.

 

Een en ander werden geliefde onderwerpen voor vele denkers. Ook de vaak bedroevende positie van de vrouw. Mary Wollstonecraft (1759-1797) vestigde daar de aandacht op, hoe het onderwijs hun kwaliteiten verwaarloosde en hun ontplooiing onderdrukte, de mannen daardoor in de maatschappij konden domineren. Het prille begin van het feminisme, de strijd voor de rechten van de vrouw, hun bevrijding uit de slavernij van huwelijk, politiek achterstelling, kerkelijke indoctrinatie. 

Pas 200 jaar later zal weer een vrouw van dit kaliber, Simone de Beauvoire (1908-1986), zich mengen in deze discussie met net zoveel invloed. ‘Men wordt niet als vrouw geboren maar wordt er een gemaakt’. We worden vrij geboren en hebben dan ook een vrije keuze. Vrouwen moeten die vrijheid leren zien en benutten. Nog steeds zijn er landen met een ernstig tekort aan vrouwen door handelen dat we negeren. 

 

Kennis valt alleen te vergaren via onze zintuigen, aldus David Hume (1711-1776), de held van veel moderne sceptici en empiristen. Hij verwierp alle kennis niet door waarnemingen verworven. Veel bedenksels van het verleden moesten het zo ontgelden, goden sneuvelden, kuddes eenhoorns neergelegd. Ook veronderstellingen over causale verbanden, het idee van oorzaak en gevolg, dat het gemaakte een maker bewijst, trok hij in twijfel. De mens naar ‘ik denk en dat ben ik’ was niet anders dan een product van persoonlijke percepties. De rede is niet meer dan de slaaf van passies. Verlangens zijn de drijvende kracht van de mensheid en niet zijn verstand, de genen van deze soort kleurden z’n verhalen. Alle wetenschappelijke wetten zijn naar we redeneren en daarmee betrekkelijk. Veel weten blijft dan ook steken in een onbewezen these, meningen die als waarheid verkocht, en door tijd heen steeds achterhaald. Zelfs de theoretische natuurkunde strandt op vermoedens die mogelijk nooit te bewijzen zijn, op voor alles fundamentele vraagtekens. Die wel weer steeds meer praktisch bruikbaar blijken.

 

De kloof tussen verschijning en waarheid, de overeenkomst van het plaatje in ons brein van wat we waarnemen met de realiteit. Immanuel Kant (1724-1804) probeerde die te dichten met zijn ‘kritiek op de zuivere rede’. Wat zijn de voorwaarden om een ervaring te hebben, te kunnen begrijpen wat we waarnemen, om te kunnen oordelen? Wat zijn de grenzen van ons weten en begrijpen, ons kenvermogen? Ervaringen leren wat is maar nooit waarom en waartoe, de zoektocht naar de grondslagen van objectief oordelen over de werkelijkheid.

Oordelen we vanuit een aangeboren intellect of alleen naar kennis verkregen door ervaring, zijn we voorgeprogrammeerd of een tabula rasa? Wat zijn de voorwaarden voor het hebben van ervaring en hoe ontleent de geest hieraan kennis? Kent de geest een ‘a priori’ en waar komt die dan vandaan?

Uit de chaos van gewaarwordingen selecteert de geest wat het wil waarnemen, focust zich daarop en verklaart en begrijpt het vervolgens. Uit de kakofonie van geluiden hoort de moeder meteen het geluid van haar baby en weet dit vervolgens te duiden, pikt de uit zee terugkerende pinguïn de roep van z’n partner in de kolonie meteen op. Een tafel zien we als een ellips maar weten we rond. Ruimte en tijd, substantie, eenheid en veelheid, we begrijpen deze categorieën vanuit intuïtie.

‘Van nature weten we wat goed en kwaad is, hebben we een moreel oordeel.’ Deze zuivere rede van de mens is aangeboren kennis onafhankelijk van de zintuiglijke ervaring, is z’n wezenlijk kenmerkende. ‘Laat het gericht van die zuivere rede dan ook alles verantwoorden, ook onze politiek en daarmee de economie.’ Het transcendente idealisme van Kant. ‘Handel volgens de regel die u tevens als universele wet zou wensen’. ‘Autonomie voor de menselijke geest’! De maatschappelijke moraal van vrijheid voor iedereen. Het liberalisme zal op dit aangeboren kenmerkende van mens en samenlevingen later doorgaan.

Dit ‘a priori’ begrijpen leidt niet tot absolute kennis, tot een volmaakt weten, maar laat ons alleen verlichten door het actuele verhaal, dat steeds verder en tot anders evolueert. De filosofie van het positief liberale denken.

Kant stelde dit alles vooral als vraag, om die vervolgens proberen te beantwoorden, zowel persoonlijk als gezamenlijk. Antwoorden zoeken en formuleren vanuit eigen ervaringen, in de eigen kring, de politiek, de economie, voor hoe we willen leven en zaken doen, kunst, muziek, willen dansen, dat was zijn drijfveer. De Franse revolutie zag hij dan ook als een positieve bijdrage in zijn verhaal.

 

Johann Schiller (1759-1805) gaat vooral door op die kunst en esthetiek. ‘De mens met z’n drang tot zelfbehoud door te scheppen’. Het creatief bezig zijn dat blij maakt. Onze wil zowel te behouden als veranderen, bezitten en steeds wat nieuws zien te verwerven. De vooruitgang van de mensheid door innoverend scheppen. Behoud is vooral gericht op het lichamelijke, het creatief nieuwe en anders op het geestelijke. Behoudzucht leidt tot angst als we z’n bedreigingen niet weten te temmen met ons verhaal weten en kunnen. De gevaren van de natuur waar tegen we ons wapenen, met dijken tegen het water, behuizingen ter bescherming tegen het klimaat, met windmolens en zonnepanelen tegen de CO2 bedreiging. Het lelijk stedelijke dat we mooier willen, de wegen die veiliger moeten, de angst voor de vreemdeling oplossen door creatief integreren. Almaar scheppend bezig zijn om al die angsten weg te nemen, te bouwen aan een steeds betere en mooiere wereld. Schiller, de dichter van ‘Ode an die Freude’, door Beethoven bewerkt en nu de hymne voor de hoop van één Europa.

 

Slavernij, een fenomeen van alle tijden en met de ontwikkeling van handel en technieken geoptimaliseerd en gecommercialiseerd. In Amerika kwam Thomas Paine (1737-1809) als een van eerste met een essay voor afschaffing van dit mensonterende misbruik van mensen.  ‘Alle mensen worden met gelijke rechten geboren.’ Het begin van de Amerikaanse revolutie, een inleiding voor de democratische republiek met sociale stelsels, de veroordeling van ongelijkheid door het bezit van grond en vermogens. Hij geloofde in een God die vooral goed en redelijk was en niet wrekend. Opvattingen die tot op heden slecht vallen in het streng christelijke US. Maar die uiteindelijk toch uitmondden in de wereldwijde afschaffing van de slavernij. Alhoewel, de vele andere vormen van mensmisbruik door internationale handel georganiseerd?

 

De wereld is er een van pijn en van genot. Het hoogste goed is dan ook het bereiken van genot. Het hedonisme van Epicurus. Jeramy. Bentham (1748- 1832) vertaalde dit streven in een ethiek voor politiek en economie. ‘Het maximaliseren van wat we wensen en het minimaliseren van wat we vrezen’.  Het volk dat zoekt naar een geluksformule. ‘Het lijkt dan ook redelijk het genot van de enkeling daarvoor op te offeren’.  Het denken in rendementen, van wat is een mens waard, wat mag een medicijn kosten versus de verlenging van leven, hoe veilig willen we een industrietak, het verkeer, de energiewinning. Het genot van goedkoop textiel in onze winkelstraten versus arbeidsuitbuiting ver weg elders. Het leed van enkelen voor het vermaak van velen, de gladiatoren in het antieke Rome. Een variant op het ‘het doel heiligt de middelen’ en op weg naar een heilstaat door de mensen heen. De acceptaties van verderfelijke regimes omdat het ons economisch goed uitkomt, we deals met ze menen te moeten sluiten, beweren niet anders te kunnen. De samenleving aan zichzelf overlaten, aan daarvoor geldende natuurkrachten, aan het daarin vermeend verscholen hoger willen en moeten, omdat dit de heersende machten het beste uitkomt. De filosofie van de acceptatie van grote vraagtekens en we zien wel waar we uitkomen en ten koste van wat en wie.

 

Voor de liberaal John Stuart Mill (1806-1873) beslist geen acceptabel uitgangspunt. ‘Het is beter een ontevreden mens te zijn dan een tevreden varken’. Er zijn pijn en genot van hogere en lagere orde. De betere producten, duurzamer producties geven een hoger genot, mogen dan ook meer kosten. Aan de politiek die dan ook waar te maken en rechtvaardig te verdelen. Windmolens subsidiëren om kolencentrales eens te kunnen sluiten. Innovatie mede te richten op het veiliger maken van producties en producten, die mensen gelukkiger maken. ‘Handelingen zijn juist als ze geluk bevorderen en veroorzaken ze ongeluk dan zijn sancties op z’n plaats.’ Ontwijken van belasting, niks mis mee behalve als daardoor anderen meer moeten betalen, en dat is altijd het geval. De mens is het zingevend element in de evolutie daardoor heen op weg naar het hogere en betere genot. De zelfrijdende auto wordt zowel comfortabelen als veiliger, de elektrisch schoner. Het politiek slechten van monopolies van medicijnen verhoogt de kwaliteit van leven voor de daarvan afhankelijke. Een duidelijke inleiding voor taken van de overheid en een pleidooi voor z’n onmisbaarheid. Wel door politieke partijen waar te maken, dus door de stem van het volk die zich daarvan bewust wil zijn.

 

Zoals die van de liberale filosofen, de stem van de mensen van het genot, het goede leven, zij die het gemaakt hebben of waarvoor het bedje gespreid is. Met Bentham vooral gericht op behoud van dit genot, de liberaal negatieve vrijheid resulterend in conservatisme. Met Stuarrt Mill als de bepleiter van de positieve vrijheid, het streven naar steeds beter en politieke programma’s daartoe zo nodig radicaal aanpassen. De filosofen van een zo klein mogelijke overheid en nauwelijks belastingen, met een fundament voor iedereen van openbare voorzieningen, algemeen onderwijs, en zij die niemand door het ijs laat zakken. De politiek van neoliberalisme tot sociaal liberalisme.

 

Het cartesiaanse dualisme tussen het bewustzijn en de externe wereld, de kloof tussen subjectiviteit en objectiviteit. Het fundamenteel twijfelen aan alle fenomenen van ons waarnemen en wat we daarvan denken en ons verbeelden. Inclusief aan ons eigen zijn, ons bewust en denkend zelf.  Het subject dat met z’n intelligentie staat tegenover de natuurlijke orde van het object. Volgens Frederich Wilhelm Schelling (1775-1854) begint dit bewustzijn met zelfbewustzijn, met het zichzelf maken tot een object. We noteren onszelf als een fenomeen in de natuur, en daarmee naar de orde van die natuur en met een intelligentie naar z’n evolutie door de tijd heen naar steeds beter en knapper. Hij komt daarmee uit op de wereldziel van Spinoza’s natuur, het Ene met een absoluut bewustzijn. Met de tijdelijk creatieve mens zoekend en verlangend  naar dat absolute eeuwig schone, verhevene, strevend naar het vermogen dat Ene te leren kennen en beheersen. Hij inspireerde daarmee Nietzsche tot ‘Der Wille zur Macht’.

 

En bracht George Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) op de gedachte van ‘er is een ultieme waarheid’, die zich door de tijd heen onthult met de evolutie van onze ideeën, onze verhalen. Naar een dialectisch proces waarin contradicties noodwendig leiden tot nieuwe ideeën en wel steeds betere. De antithese die bewijst dat een these onwaar is en leidt tot het zoeken naar de synthese, de overbrugging van beide. Een synthese, die als volgende these met weer een antithese oproept, enzovoort, enzovoort. Tot op het ultieme, het bereiken van de eindwaarheid en daarmee tot de voltooiing van dit proces, filosofisch bezien dan ook het einde van de menselijke geschiedenis. De metafysica van de terminale kennis aan het einde onzer tijden. De evolutie van onze tijdelijke waarheden naar de absolute in de wereldziel besloten. Waarbij die tijdelijke nooit helemaal fout zijn maar wel steeds beter kunnen, altijd slechts een deel maar wel een steeds betere van de waarheid dekken.

Een rationeel technisch verhaal dat technieken dan ook waar maken. De eerste uitvoering , these, van een uitvinding, de koets met een motor, nog met vele onvolkomenheden , antitheses, die vragen om oplossingen, syntheses, die ook weer steeds beter kunnen. De ontwikkeling van de auto en andere materiële producten tot op hun huidige kwaliteit. Die voor velen daarvan wel ongeveer al op een eindwaarde, de eindsynthese zitten, de wasmachine, de koelkast, de designmeubels die nauwelijks nog te innoveren zijn.

 

Arthur Schopenhauer (1788-1860) was getuige van de ontreddering van Europa na de slag van Waterloo, van het debacle van de revolutie en de inleiding van het herstel van het feodalisme. De republiek der Nederlanden die degradeerde tot een koninkrijk met een alleenheerser. De revolutie was dood en Europa verwoest door rondtrekkende en plunderende legers. ‘Het resultaat van ‘de wil’ die wereld regeert, de weerspiegeling daarin van de chaos van een heelal zonder een god en hemelse verwachtingen. Het is leven kort, maar de waarheid reikt ver en leeft lang, laten we die dus spreken.’ Zijn inspiratie voor zijn ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’, een boek dat je volgens hem een aantal keren moest te lezen om het goed te kunnen begrijpen.

De uitwendige wereld is naar onze voorstelling, naar wat onze geest zich van waarnemingen verbeeld. Een geest, niet als een product van materie maar naar een aangeboren en onstoffelijk ‘a priori’, bij Kant de zuivere rede, bij hem een ‘universele wil’ die de wereld regeert en onze geest dicteert. Daarbij is ons bewustzijn slechts het oppervlak, de korst op ons onbewuste gedirigeerd door die wil, een vitale kracht in ons door driften en instincten gestuurd. ‘Wil je iemand overtuigen speel dan in op z’n begeerten’. ‘Het verstand is niet meer dan een uitvoerend orgaan om gewilde verhoudingen naar die kracht met de buitenwereld te regelen, onze vrij wil is slechts een illusie, is wat de universele met ons wil’. Volgens deze filosoof was dit het wezenlijke van de mens.

Onbewust zijn is de natuurlijke toestand van alle dingen. Planten zijn zich volkomen onbewust. Met het dierlijke ontwikkelt zich daarop die korst van bewustzijn. De natuurlijke wil van leven is z’n leven zo volkomen mogelijk te leven, daarbij ook de dood te zien overleven met z’n begeerte tot voortplanting, van seks willen. De organen daartoe als tegenpool van het verstand, een aspect van die universele wil dat elk leven als a priori mee krijgt om de soort de dood te laten overwinnen. Met de voortplanting bereikt en seks niet verder mogelijk zien we veel leven zich dan ook beëindigen, mensen levensmoe worden.

Alleen in ruimte en tijd lijken we vrije en individuele wezens, maar in feite zijn we onderdeel van een soort die de ‘universele wil’ in stand wil houden.  ‘Had een de ruimte in geworpen steen bewustzijn dan zou die denken zich uit vrije wil te bewegen.’ Spinazo voorzag al die wil, en dan een goddelijke. ‘Maar in die steen noch in de mens is die persoonlijke wil vrij’.

De wereld van deze wil is er een van vooral lijden. Want de begeerte is eindeloos en de bevrediging altijd beperkt, is nooit helemaal naar het verbeelde, het gewaande ideaal, en maakt dus nooit volmaakt gelukkig, introduceert steeds nieuw lijden, de prikkel voor nieuwe begeerten.  Aristoteles zei al, de wijze zoekt niet het geluk maar de bevrijding van zorg en smart. Wees dus tevreden met het betrekkelijk goede. Maar dat eenmaal wijs bereikt blijft over de verveling, het uitblijven van nieuwe begeerten en daarmee uitdagingen. Schopenhauer had net geld genoeg om zich een arbeidsloos bestaan te kunnen permitteren, kon zich dus eindeloos te vervelen.

 

Hoger ontwikkelde dieren worden steeds gevoeliger voor smart. Insecten voelen nauwelijks pijn, zoogdieren veel meer. Kennis vermeerdert eveneens smart, maakt gevoeliger voor kwaad en ellende. Daarbij is de gedachte aan de dood is veel pijnlijker dan de dood zelf. Aan het eind van het leven wijs en berustend geworden wacht de almaar naderende terechtstelling. ‘Talmt de dood dan is als het spelen van de kat met een hulpeloze muis.’ Zelfmoord los het algemene probleem niet op, elimineert wel de individuele wil maar niet die van de soort.

Wijsheid kan verlossing bieden. Openbaart bijvoorbeeld  het nutteloze van de begeerte naar het stoffelijke, het streven naar rijkdom laat verzanden in te veel overbodig bezit. Beperk dat tot wat je zinvol weet te maken, waarmee je wat kunt doen dat je opbeurt. Bevredig vooral de geestelijke behoeften, want rijkdom resulteert slechts in verveling en alleen wijsheid is de ware weg om daaraan te ontsnappen. Hoe beter we onze hartstochten kennen des te beter kunnen we ze temmen. Denken zuivert ons zo van de wil, maakt gelukkig door genoeg te hebben, niet meer begeren. Daarbij is het genie de hoogste vorm van willoze kennis. Het genie dat de Platonische idee weet te benadering, manifest in het schone en ware van geniale kunstenaars. Niet kennis maar zuiver voelen weet ons te bevrijden, mooie muziek maakt mensen blij.

 

Het Christendom komt met de erfzonde dicht bij de waarheid, het kwaad van die ‘universele wil’ die mensen almaar verleidt tot begeren. Oosterse religies met het streven naar onthechting, ultiem in het nirwana, bieden de oplossing met het zo laten verdampen van ieder begeren, inclusief  dat van het zich willen voortplanten en daarmee bevrijding van de soort. Die zien de wereld ook als in essentie innerlijk en intuïtief en niet uitwendig en intellectueel. Eens de verlossing voor het rationele westen.

De voortplanting is vooral van de schuld van de vrouw, die als ze jong is daartoe verleidt. ‘Welke misdaad hebben kinderen begaan dat ze geboren moeten worden?’ Is de vrouw eenmaal bevrucht en heeft ze haar nest vol dan verliest ze ook haar schoonheid. Schopenhauer haatte zijn moeder, die na de dood van zijn vader rijk en van aanzien, sociaal volop wist te genieten van haar begeerten. ‘Vrouwen zijn geneigd tot buitensporigheden en moeten dan ook goed in het gareel worden gehouden. En des te minder we met ze te maken hebben des te beter’. Hij bleef dan ook zijn hele leven vrijgezel.

 

Het verhaal van het klaagzieke en vermoeide Europa, dat met het herstel van de oude regimes al z’n idealen van de revolutie, het idee van alles anders maar daarmee pas beginnen na de sloop van al het bestaande als de verkeerde aanpak zag bewezen. Resulterend in de pessimistische cynische en eenzame mens, de verbitterde romanticus die z’n verwachtingen zag verpulveren in afbraak en ellende, die weigerden zich te laten waarmaken, en waarvoor miljoenen het leven hadden gelaten.

Met als verdienste het groeiende besef dat goed nadenken en geduldig en gedurig streven, dat een evolutie gebaseerd op innoverend denken een betere benadering is dan revolutie. ‘De wereld is een blijspel voor hen die denken en een treurspel voor hen die voelen’. Horice Wallpole (1717-1797), een Brits schrijver en politicus. Evolutie dus, waarbij de diepten en de immense krachten van het onderbewuste mede bepalend zijn, gezien de mens als een samen spelen en elkaar zoeken van verhalen en genen.

 

Thales bedacht als essentie van de wereld water, Schopenhauer de wil, poneerde de a rationele geestelijke levenshonger van de mens tegenover het voltooid goddelijk rechtvaardige dat Hegel als essentie zag. De schilder als uniek kunstenaar heersend over z’n rationeel technische praktisch volmaakte middelen daartoe, vanuit z’n essentie daarmee iets te willen, dat wel besloten ligt in die universele wil. ‘We doen wat we willen, maar kunnen niet willen wat we willen, zijn een slaaf van die eeuwige wil’.

‘Laat die wil gelden naar z’n talenten in deze slechtste wereld van alle werelden, in de mens, een ding naar die universele wil, daaraan overgeleverd , een instrument van z’n eisen’. De universele wil, die zaait in overvloed, miljarden maal miljarden sterren in sterrenstelsels ieder met planeten met mogelijkheden voor leven tot op intelligent leven, en ook dat uitbundig overvloedig, om het doel van de schepping eens aan het einde van z’n tijd te bereiken. Met de mens dus mede als slaaf, middel, materiaal van deze wil. Met als enige uitweg de kunst, en dan vooral de muziek, het eigen unieke geluid dat in de ether uitgezonden eveneens blijft tot aan dat einde. Nietzche ging door op die universele wil met zijn ‘Wille zur macht’.

 

Friedrich Nietzsche (1844-1900)  de filosoof  van de metafysica van de creatieve mens, van de vraag wat is het wezen van de mens, wat wil die met al het praktisch bruikbare van ons weten en maken. De mens die tot dan toe vooral had klaar te staan als middel en materiaal voor vervolmaking van grote verhalen over de econome, het nationale, het vaderland.  De actuele mens uitgenut een gemanipuleerd door niet meer te beïnvloeden politieke en economische machten. De mens die ieder voor zich naar eigen verbeelding een tijdelijk middelpunt is in de wereld en voorzien van vele middelen om van dat tijdelijke iets te maken. Daarmee gesteld voor de vraag van wat dan met dat eigen en unieke in dat middelpunt. Nietzsche daagde ze uit tot geestelijke zelfgeboorte via zelfkennis tot zelfverwerkelijking. Met immers in zich de wil tot eigen vervolmaking, het verlangen naar ‘Übermensch’, het al het verbeelde externe te willen beheersen en meester te zijn over eigen lot, passies. ‘Der Wille zur Macht’. ‘Bevestig het leven met ja!’ En niet met een slavenmoraal zoals religies prediken, met de wrok van de zwakken tegen de sterken. Maar met het ja van de fysiek sterken, van de creatieve elite, noodzakelijk voor de evolutionaire vooruitgang van de mensheid. Wees in die zin een deugdzame mens met grote levensvormen goed voor de samenleving en de zwakken.

De actuele wereld met z’n supersterren van cultuur, wetenschappen, in de politiek, van het vermaak en vertier, van de glamour het veel te veel geld. Übermenschen die de ficties over voltooide filosofieën en versteende religies herijken en nieuw elan geven. De mens als vrij en zingevend moment, existentie in z’n zelf verbeelde en te verantwoorden wereld.

 

Het positieve verhaal dat valt te distelleren uit z’n vele publicaties. Van Schopenhauer ontleende hij de wil die de mens aandrijft, het idee van de Übermensch van Darwin met zijn verhaal van de sterkste die overwint. Goed is wat overleeft en slecht wat de strijd opgeeft en  verliest. De evolutietheorie van Darwin had de zedenleer vooral goed voor de kuddegeest opzij geschoven. De in het leven besloten wil dicteerde z’n toekomst, met gerechtigheid gebaseerd op de macht van een elite die deze wil weten te begrijpen en waar te maken. De wil tot strijd, macht en daarmee beheersing van de evolutie naar hoger en steeds volmaakter.

De mens is het wreedste dier, voor de natuur en zichzelf, aan de sterksten om dat in het gareel te houden.  De wreedheid als vreugde en verrukking van de mens in de oudheid,  het met genoegen martelen in de Middeleeuwen, de onverschilligheid over het lot van huisdieren.

De elite is een kwestie van opvoeding en onderwijzen, van de besten die met de besten trouwen, van het kweken van een aristocratie. Plato. Niks erger dan een democratie, het neuzen tellen en daarvan het lot van een gemeenschap laten afhangen. De  ontzetting en verwarring bij de elite van Engeland na dit tellen voor of tegen een Brexit.

‘De Germaanse geest is dof geworden door het protestantisme en bier’. Oorlogen zijn verfrissend voor de geest van volken. Napoleon was een weldoener voor velen, die dank zij hem eervol op het slachtveld konden sterven. Duits organisatievermogen gecombineerd met de materiële rijkdommen en menskracht van Rusland, het idee van ‘Lebensraum’ in het oosten. De Joden waren nodig als goede financiers, de Fransen om hun verfijnde manier van denken en gevoelige cultuur. Engeland was niks met z’n ideeën over democratie en utilitair denken, wel wat met z’n sterke elite. Italië dat was blijven steken in z’n renaissance, maar waar hij overigens graag vertoefde. In vele opzicht was Nietzsche een Europeaan, dat hij begonnen zag in het Griekenland van Homerus. De ideale samenleving was als een piramide, met onderin de werkers, daarop de laag van ambtenaren en de soldaten, en aan de top bestuurd door de edelen met het goddelijk gegeven recht om te regeren, de wijsgeren dus. Laat ons goede burgers worden zoals Napoleon, Goethe, Beethoven, Heine, Schopenhauer. Grote deugden zijn alleen te verwachten van grote mensen. De revolutie ontwrichtte met Napoleon Europa, Nietzsche de antieke gewaande geest, het gewaand hogere in de mens los van het materiële, toonde aan dat leven vooral doen is wat het menselijke materiële wil, dat verstandig leven bewust omgaan is met de wil, de driften en instincten in de diepzee van het onbewuste. Zijn leven leidde zo tot veel inspirerende zowel positieve als negatieve ideeën, met een tragisch eind toen zijn geest het begaf. 

 

Karl Marx (1818-1883) ging door op de dialectiek van Hegel en een hoger en duister willen, dat was uitgekomen op de noodlotsgeschiedenis van het proletariaat, hun gevangen zitten in structuren en systemen naar gewilde machten van bezit en productieverhoudingen. Een fatale antithese die vroeg om een verlossende these en uitzicht op een eindsynthese, een volmaakte voltooiing van de geschiedenis, een waarheid die iedereen uiteindelijk vrij zou maken. De mens als noodlotsfiguur in de evolutie naar zijn ‘Das Kapital’, een boek dat velen verleidde tot eigen interpretaties en vinden van sleutelwoorden voor claims op posities en carrières. Die van noodwendig meester, leraar, voorganger om deze wil van de geschiedenis te begeleiden, te sturen, zich laten waarmaken. Waarbij dit doel alle middelen heiligde, met ook de mens als middel, materiaal in dit hoger gewild dialectisch proces. Met prominente posities in dit eindspel van geschiedenis van het idealisme van dictators als Lenin, Stalin, Mao, Pol Pot.

Hegel en Marx laten zich ook anders lezen, het dialectisch proces van these, antithese, synthese valt ook anders te duiden. Zoals bij die innovatie van de techniek, het simpel beginnen met een product om vervolgens de minpunten met innovatie te elimineren en steeds meer pluspunten er aan toe te voegen. Het verhaal van Darwin van de evolutie, het toevallig betere dat altijd wint, pinguïns zo praktisch volmaakt heeft afgestemd op hun barre leefklimaat. De evolutie van het materiële van de oerknal tot op ons huidige ecosysteem aarde naar de wil van de natuurwetten. En het eindspel? Het technische product dat praktisch bezien uitontwikkeld is, niet meer zinvol te innoveren valt. De wetenschappen die de grenzen van hun kennen en kunnen in het vizier krijgen. Producten, verhoudingen, organisaties, posities die dan net als de krokodillen vele miljoenen jaren hetzelfde blijven? De goddelijke eindfase van Hegel. In overvloed, eindeloos verzadigd en dus met eindeloze verveling, met als reactie steeds weer nieuwe zingeving, creativiteit, kunsten. Wie zal het zeggen, en daarom blijf vragen en geloven in de antithese, wantrouw elke gewaande eindsynthese.

 

Thomas Malthus ( 1766-1834 ) voorspelde een rampzalige eindfase voor de mensheid, dat de aarde de bevolkingsgroei niet kon bijhouden, de mens snel over z’n mensgrensdraagvermogen zou komen. Met als oorzaak te veel sociale voorzieningen voor arme mensen met vaak veel te veel kinderen. Die konden beter geen kinderen krijgen. De versnelde bevolkingsgroei in vooral ontwikkelingslanden. Met als reactie het streven naar geboortebeperking, de ontwikkeling van voorbehoedsmiddelen, de één kind politiek. Inmiddels de constateren dat welvaart gecombineerd met sociale zekerheid en gelijke rechten voor vrouwen automatisch leidt tot afname van bevolkingsgroei. Met als tegenstanders van deze ontwikkelingen vele religies.

 

De wetenschap is de ultieme scheidsrechter van de waarheid voor die eindfase. Natuurkunde en scheikunde bewezen het voor de evolutie door ons heen van het materiële immers. Dan ook maar voor mens en samenleving met de wetenschap als sociologie, economie. De these van Auguste Comte (1798-1857), daarmee gezien als de vader van het ‘sciëntisme’, het zoeken naar sociale waarheden. Het menselijk intellect op zoek naar dat intellect, door thesen te stellen en die proberen te bewijzen. Bij de exacte wetenschappen empirisch, met proeven die door iedereen te herhalen zijn en dan waarheden opleveren die voor iedereen gelden. De wetenschappen gericht op mens en samenleving moeten het echter vooral hebben van wat zich wat zich bewijst in de praktijk van ons doen en laten en onze manieren van observaties. De meeste vermeende waarheden daarvan blijven dan ook steken in gekleurde meningen, overtuigingen van hoe het zou moeten zijn, terug te vinden in de vele visies van politic, sociologen en economen.  Door steeds meer dan ook terecht gewantrouwd. Mensen die wat de exacte wetenschappen leveren via de daarop gebaseerde technieken wel op kwaliteit weten te waarderen.

 

Plato zag elke soort in de natuur naar z’n universeel model, de religies ze als schepping van God, de evolutietheorie van Charles Darwin (1809-1892) als op natuurlijke wijze ontstaan zonder de noodzaak van een model of maker. Het verhaal over natuurlijke selectie door wisselvalligheden van het lot, het bij de voortplanting altijd ontstaan van toevallige verschillen in de eigenschappen van een soort, die bij wijziging van omstandigheden soms winnaar werden, bijvoorbeeld bij klimaatverandering dan het op zich toevallig veranderde het verschil maakte tussen leven en dood van de soort. De paar vogels verwaaid naar een ander eiland met toevallig een andere snavel geschikt voor de daar groeiende bessen. De bruine beer waarvan de lichtere in de sneeuw makelijker prooien vangen en zo op de Noordpool evolueren tot de ijsbeer. De bleke varianten van de donkere mens die het in noorden met weinig zon beter doen.

Een natuurlijke proces waardoor de kwaliteit van organen als ogen evolueerde van eenvoudig tot geavanceerd, het toevallig betere, het best aangepaste steeds winnaar werd. Een verhaal dat ook op gaat bij de ontwikkeling van een technische producten, de evolutie door ons heen van al het materiële dat we aan ons toevoegen. Fundamenteel religieuzen zien deze theorie als een vorm van geloven, in strijd met hun verhalen over de schepping. Gentechnologie, het verhaal van ons DNA, bevestigt ze steeds meer. De primitieve rondworm met al tachtig procent van onze genen.  

 

Is de schepping doelgericht?  Volgens Henry Louis Bergson (1859-1941)  niet. Hij ziet daarin twee conflicterende krachten, een scheppende en diversifiërende levenskracht , die van de materie, het op ‘entropie’ gerichte, op alles uniform, in de schepping uitdijend tot op het absolute nulpunt. Een vermeende eindfase van ons heelal. Met dwars daarop het ‘élan vital’, de levenskracht die materie dwingt tot die evolutie van Darwin met z’n vele vormen van het levenloze en levende. Een kracht die de mens stimuleert tot continue innovatie, het almaar willen vernieuwen van wetenschappen, kunsten, literatuur. Verschillen in de natuur die zich vereffenen, energie van hoog niveau in energiecentrales omgezet in andere vormen van energie op een steeds lager niveau en gedoemd te verwaaien in de ruimte. Drukverschillen in gassen die bij vermenging verdwijnen. Koud ijs in een warm glas water dat leidt tot lauw water. Het intuïtieve anti-intellectualisme dat de genen laten oplossen de rede tegenover het menselijk intellect gericht op onderscheiding in de schoonheid van leven, met niet dom materialistisch bezit en rijkdom maar met creativiteit in kunst en cultuur. De economie van welvaart uitgedrukt in statistieken en geld versus die van welzijn en geluk voor iedereen. Het dom weg stom consumeren in contrast met zingeving aan wat we hebben. De geboorte van steeds weer nieuw en beter leven, almaar hogere vorm van materie, het antwoord van de evolutie van nature en die door ons heen op die neerwaartse kracht van entropie. 

 

Wetenschap bedrijven vrij van waardeoordelen, de filosofie van het materialisme. De strikte scheiding tussen wetenschappelijke verklaring en doel en waarde. Volgens Alfred North Whithead (1861-1947) worden de wetenschappen altijd belast en ontsiert vanuit het culturele milieu dat waarin ze worden bedreven, met dan ook sociale gevolgen. De beoogde doelen en vermeende waarden kunnen daardoor danig uit hand kunnen lopen. Wetenschap is altijd een menselijke perceptie, opvatting, te verantwoorden door de sociale wetenschap, door de politiek. Het doel in zichzelf van de materie is een fictie, het doel, dat zijn wij in ons samenzijn naar wat we menen te weten en daarmee denken te willen.

Het pleidooi voor een strikte scheiding tussen het bedrijven van wetenschappen en de zingeving aan de resultaten daarvan vanuit ons ‘elan vital’. Laat politiek geen wetenschappen willen bedrijven en laten wetenschappen niet gaan oordelen en veroordelen, aan ethiek gaan doen. Het vermeende weten gericht op het gelijk krijgen, de zichzelf censurerende onderzoeker.   

 

‘Er is slechts één bron die wetenschappelijke feiten onthult, en dat zijn onze zintuigen’, aldus Ernst Mach (1838-1916).  Natuurwetten zijn een product van onze psychologische behoefte de natuur te kunnen beheersen en voorspellen. Atomen, elektronen, velden, golven hebben dan ook geen substantieel bestaan, geen materiële status, zijn voor ons slechts informaties over hun betekenis voor ons. De problematiek van de realiteit van de wereld los van de menselijke geest, van wat weten wij eigenlijk van die wereld anders dan het voor ons bruikbare. Hij ontkent daarmee elk menselijk weten en begrijpen van de realiteit. Alles wat we daarvan kunnen zeggen is gebaseerd zijn op zintuiglijke ervaringen en daarmee betrekkelijk. Ieder mens leeft in zijn of haar zintuiglijke wereld, begrepen en verbeeld naar z’n verhalen, dus voor ieder mens eigen, anders en uniek.

 

‘Elke tijd heef zijn verdorvenheden’, Soren Kierkegaard (1813-1855), de vader van het existentialisme, de stroming die de individuele vrijheid, de persoonlijke verantwoordelijkheid primair stelt. Met ieder mens uniek, een altijd subjectief verantwoordelijk zijn voor z’n daden, lot en ethos. Zijn reactie op maatschappelijke minachting voor het individu, het die willen maken tot middel, verlengstuk van de gemaakte materiële wereld, bedrijven, naties, . ‘Wat ons tijdperk mist is niet bespiegeling maar passie’. En dan niet als metafysisch doel maar voor een waardig leven en sterven. Gebaseerd op de persoonlijke kracht van binnen uit, naar eigen beleving en niet naar de rede, het verhaal immers van anderen, over een te gehoorzamen god of te dienen ideologie. Plato riep op tot de voltooiing door de mens heen naar de wil van de schepping, door z’n ratio bedacht als besloten in natuurwetten. Hegel verklaarde die voltooiing in theorie klaar, alleen nog voor iedereen praktisch bruikbaar te maken. Het denken van morgen, later, na ons komt het wel goed, maar wel ten koste van het heden, de tijdelijke mens. Met ieder zijn hier en nu en de vraag wat moet ik met dergelijke verhalen en zijn ze wel geloofwaardigheid? Mens zijn met ons vermogen tot creatief bezig zijn, uniek en met kunst, verhalen schrijven, voor iedereen en in z’n gegeven tijdelijke en daarmee zonder enige verzanding in eindes of voltooiingen.

 

Charles Sanders Pierce (1839-1914) , laten we wel pragmatisch blijven en als uitgangspunt voor al onze opvattingen nemen dat er algemene en van ons onafhankelijke natuurwetten zijn. Opvattingen die niet zozeer waarheidsbevestigend zijn maar wel leidraad kunnen zijn voor ons actueel handelen, die resulteren in voor ons pragmatische bruikbare en toepasbare kennis.

 

‘Praktische waarheden werken’. John Dewey (1859-1952)  Samenlevingen kennen vaste patronen van handelen. Als zich daarbij problemen voordoen dan is gezamenlijk optreden, discours nodig. Wat is het probleem? Wat zijn de mogelijke  oplossingen? Wat blijkt daarvan te werken? De huidige benadering van kwaliteitsborging en vastgelegd in een ISO norm, een internationaal algemeen erkend verhaal. Het verhaal voor de borging van het kwaliteit voor producten die het altijd doen en waarbij problemen pragmatisch worden aangepakt. Toen nog een onbekende mogelijkheid in een wereld met wel ras toenemende problemen.

 

Antieke verhoudingen die radicaal fatale wendingen namen met de triomfen van de toegepaste wetenschappen, in wat Arnold Toynbee (1852 1883) in zijn colleges over deze economie introduceerde als industriële revolutie. Stoom en elektriciteit namen de energiewinning over van  mensen, wind, water, dieren. De uit gemene gronden verdreven dorpelingen kregen een nieuwe broodwinning in de industrie, die van de textiel, met de wol van die schapen en katoen uit kolonies met slaven, die tevens daarvoor afzet werden, de voor deze economie horigen overal. Het antieke monopolie van grootgrondbezit dat verdrongen werd door het kapitaal geïnvesteerd in deze industrialisatie. In machines met de mens als bediener en aan lopende banden. Machines die de wetenschappen steeds verder wisten te vervolmaken. In eerste instantie met het grootschalige, wat uitmondde in de multinational, vervolgens met automatisering, de verschuiving van het dom werken naar de dienstverlening. Inmiddels met robotisering en daarmee beperking van de menselijke inbreng tot doelstellingen en besturing door CEO’s met z’n medewerkers. Doelstellingen binnen een kapitalistisch bestel naar het Darwinisme van de sterkste die wint. Het systeem van ‘laisser-faire et laisser-passer’. Met dus ook verliezers en de daarbij behorende misère. Het noodwendig sanerende in dit bestel met daarin de mens als home economicus, een door intelligentie versterkt genetisch organisme, veredelde hebzucht en beheerste empathie. De mens als motor en materiaal voor een hoger willen van de geschiedenis. De toen actueel fatale uitkomst. Die Arnold Toynbee en met hem anderen anders wilden, vonden dat de taak van de mens in dit blinde gebeuren als een zingevend moest zijn, dat al dit kapitalistisch materiële de mens toegevoegd moest worden. Hij pleitte voor de oprichting van vakbonden, het zo stem geven aan een segment van de vrije markt dat nauwelijks werd gehoord, dat in een liberaal bestel de vrijheid moest worden geregeld en bewaakt, als bijvoorbeeld winnaars zich als monopolisten ontpopten, zich het gemene onbeperkt toe-eigenden en concurrentie uitbanden. De industriële expansie die de vrijheid nam grond, water, lucht te verontreinigen en mensen horig maakten. Al het mogelijke, en dat razendsnel steeds meer werd, moest dat wel onbeperkt vrij mogen?

 

Dat wetenschap en techniek daarop geen antwoord, geen moraal hadden bewees vooral het begin van die industrialisatie. Onder werklozen was verhongeren een normaal verschijnsel. Ook religies hadden hierop nog geen antwoord, waren vooral gericht op bevestiging en handhaving van de bestaande orden met armenzorg. Deze snel groeiende maatschappelijke pijn motiveerde Karl Marx (1818-1883)  tot zijn ‘communistisch manifest’ en ‘Das Kapital’. Daarbij geïnspireerd door de dialectiek van Hegel. Om te overleven benutte de mens de natuur voor de daarvoor benodigde goederen. Ontwikkelde zo een economie met productie en handel als de primaire factor voor ieders bestaan. Productie en daarmee de economie werd de bepalende factor voor ieders leven. Die hij vervolgens plaatste in een historische perspectief. Productie gebaseerd op handenarbeid leidde tot de feodale samenleving, die met de industrialisatie uit kwam op het kapitalisme. Beide naar de dialectiek van Hegel, met als theses de klassen die de economie beheersten, het feodale en het kapitalisme. Het feodale kreeg als antithese de opkomende middenklasse, met synthese de daarop gestoelde kapitalistische economie. Die met de industrialisatie als antithese kreeg het proletariaat en met als synthese het socialisme, het meest efficiënte en eerlijke systeem voor de economie. Als uitkomst van een natuurlijk noodwendig  proces, niet vanuit morele sentimenten, maar afgedwongen door de heersende omstandigheden, de verkommering van het proletariaat. Het socialisme als onvermijdelijke resultaat van het dialectisch materialisme. Het subject mens in een voortdurend proces van aanpassing met het object de wereld waaruit het is en waarin moet zien te overleven. Na de blinde wil van die wereld en gericht op het door Marx bedachte utopia.

 

Friedrich  Engels (1820-1895), de vriend en medewerker van Marx, was vooral verantwoordelijk voor  deze doctrine van het dialectisch materialisme, dat het kapitalisme de groei van het proletariaat bevorderde, daarmee de sociale misère verergerde en zo de komst versnelde van het socialisme, het uiteindelijk natuurlijke ideaal. Niet besloten in de menselijke geest maar vanuit het materiële door dat proces van these, antithese en synthese.

 

Vladimir Iljitsj Lenin (1870-1924) zag zich geroepen als de uitvoerder van de ideeën van Marx en Engels. In Rusland, dat democratie noch verlichting kende, met overwegend horige boeren en een opkomende industrie en zo een snel groeiend proletariaat. ‘Vrijheid is prachtig, maar tot nu toe wel die van de bourgeoisie om hun loonslaven uit te buiten’. Zijn rechtvaardiging van een dictatoriale elite en genadeloze revolutie ter bevrijding van dat proletariaat. ‘De maatschappij bestaat uit wederzijds vijandige klassen met ieder hun denksystemen vanuit eigen belangen ter overleving’. Het uitgangspunt van het dialectisch materialistisch communisme, met hem als variant dit autoritair marxistisch leninisme. Een exponent van de wil tot almacht, het opeisen van het natuurlijk recht van de sterkste, de actueel meest geschikte meester. De filosofie van de mens als middel, materiaal voor gewaande utopieën, houtjes voor een krijgsvuur. Later het verhaal van de ‘laat maar waaien’ economie’, het aan de vrije natuur daarvan overlaten van de mens, het ieder voor zich en de anderen altijd de tegenstander in de strijd om bestaan en de macht. De twintigste eeuw bewees volop de waarde en van dit soort denken.

 

Een eeuw die tevens kwam met een andere benadering, die van de mens als zingevend en democratisch z’n evolutie sturend, naar samen overeengekomen doelstellingen en controles op realisatie. Die tevens bewees dat industrialisatie gecombineerd met vrije handel overvloedige samenlevingen mogelijk maakte. Die zo het verhaal van de vrije markteconomie wereldwijd tot winnaar maakte. Niet zonder problemen, maar met het idee dat democratisch overheden ze de baas zouden blijven. Een eeuw die daarmee op weg leek naar een werelddemocratie met een rechtsorde en mensenrechten voor iedereen. Voor heel veel mensen dan ook een boeiende en uiteindelijk mooie tijd. Zelfs even bedacht als het einde van de geschiedenis. Het verhaal van Francis Fukuyama (1952), het einde van de geschiedenis, van de ideologieën, met het kapitalisme als uiteindelijke winnaar. Tot in New York twee vliegtuigen de twintorens invlogen, in 2008 heel onvoorzien een bank omviel.

 

De ontwikkeling van het kapitalisme laat zich goed illustreren met de teelt, productie en handel van katoen. Sven Beckert met zijn boek Katoen (2014).Tevens een product in vele opzichte de aanjager daarvan. Inmiddels een onmisbaar en volledig  mondiaal product in onze samenleving. Al benut duizenden jaren voor onze jaartellling in Azië, Afrika en Zuid Amerika. Gewonnen uit de zaden van vele soorten katoenplanten, met daaraan lange pluis om zich in de wind te laten verwaaien. Stevige en zachte vezels die zich lieten spinnen tot draden te weven tot textiel. Een prettig te dragen product, tot heel fijn te weven, dat zich goed liet verven en bedrukken en makkelijk schoon te maken, te wassen. Geteeld door boeren in combinatie met andere landbouwproducten en in tijden van weinig te doen zelf verwerkt voor eigen gebruik, om lokaal te verhandelen en om heersers te betalen. Mogelijk in subtropische gebieden met redelijk wat water en in droge gebieden met irrigatie. In Europa dan ook heel lang een onbekend product en was textiel van wol en linnen.

De productie, het scheiden dan het pluis van de zaden, het spinnen en het weven kwamen vooral ook in India tot ontwikkeling. Werd van daaruit onder anderen geïntroduceerd in China, dat al een traditie had van het weven van zijde, en in het Midden Oosten. Leidde tot specialisaties van spinners en wevers en handelaren die daarvan gebruik maakten. Kooplieden met geld om ruwe katoen te kopen, om spinners en wevers te betalen en transporten voor de verkoop in verder gelegen koopgrage afzetgebieden. Handel werd zo de bron van kapitaal en vooral van die kooplieden, kapitalisten met overzicht van deze hele handel en wandel.

Met hen kwam katoen via het Midden Oosten ook in Europa, de productie ook in Italië en in Spanje met de Islam. Ook de Duitsers ontwikkelden deze productie en konden die met hun grote en goedkope boerenbevolking strek concurrerend op de markt brengen en grote winsten te maken. De Fugger’s bijvoorbeeld in Augsburg die zich mede daardoor konden ontwikkelen tot vermogende bankiers.

Het Ottomaanse Rijk maakte aan deze producties een einde door de aanvoer van de grondstof, de ruwe katoen van India naar Europa te beletten om zo deze handel te monopoliseren.

Brengen ze het niet dan gaan we het halen. Het begin van een oorlogseconomie door de zeevarende naties van Europa, die met bewapende schepen om de Kaap de Goede Hoop de katoen direct in India kochten en verscheepten naar hun markten. Een handel met lokale wevers in eerste instantie vrij en in concurrentie met vele andere afnemers. Die door handelsmaatschappijen in de geest van de VOC steeds meer met afgedwongen, gemonopoliseerd, vaak met grof geweld, en tegen prijzen die zij dicteerden. Incidenteel zelfs leidend tot hongersnoden onder wevers. Buiten hun naties, die deze handel bevorderde door kolonisatie van deze landen en verdrijving en horig maken van bevolkingen, waren deze maatschappijen niet gebonden aan de daarin geldende rechtsorden, waren alle middelen geoorloofd voor de gestelde handelsbelangen.

In het later ontdekte Amerika hadden ze dan ook vrij spel en was genocide, onteigening en roof gebruikelijke moraal. De zilvervloten van de Spanjaarden en Portugezen. Eenmaal niets meer te roven zag Europa deze landen tevens als uitermate geschikt voor plantages voor uitheemse producten als suiker en tabak. Die grondig ontvolkt moesten daarvoor arbeidskrachten van elders worden ingevoerd en ontstond zo een winstgevende slavenhandel, vooral uit Afrika, waar de heersers daar ze graag leverden en zich voor een groot deel lieten betalen met katoen, voornamelijk gehaald uit India. Een uitgebreide en complexe wereldhandel was daarmee geboren, met katoen als een belangrijke aanjager.

Een inmiddels wereldwijd geliefd product. In Europa een bedreiging voor de wol- en linnenindustrie en dan ook geweerd met importrestricties, maar internationaal met grote afzetmarkten en betaalmiddel voor de slavenhandel. Gestoeld op een oorlogskapitalisme dat op grote schaal gronden onteigende en slavenhandel financierde. Ondersteund door de oorlogsmachines van machtige zeevarende natie, in het bijzonder Engeland met zo z’n imperium waarin de zon nooit onderging. Met als belangrijk onderdeel India dat als geen ander de technieken van spinnen en weven beheerste en met hoge kwaliteit en dus geliefd op alle markten. Een aansporing om ook in Europa zich deze technieken eigen te maken, vooral in Engeland vanuit hun kolonie India. Waar een ondernemer in Manchester ze wist te combineren met waterkracht en daarmee een aanzet gaf tot de mechanisatie en zo industrialisatie van katoen. Waterkracht dat later werd vervangen door stoomkracht en verbetering door innovatie van deze mechanisatie van het spinnen en weven. Uiteindelijk zo succesvol dat ondanks hogere lonen dan in India de productie verhuisde naar Engeland. Mede  voor afzet in India. Veel wevers daar stieren de hongerdood. Vergelijkbaar de textielindustrie in Twente die produceerde voor Nederland Indië. De bron voor enorm veel kapitaal voor de verdere voortzetting elders van het oorlogskapitalisme en de industrialisatie van veel andere producten.

 

De ondernemingen in Europa hadden ondanks mechanisatie toch nog veel arbeidskrachten nodig. Moeilijk aan te trekken gezien de aard van het werk, eentonig, ongezond, gevaarlijk. Te bevorderen door het voor grote groepen de enige uitweg te maken voor overleven. Tot dan toe gebruikelijk met het bedrijven van landbouw op gemene grond en door het uitoefenen van ambachten binnen de regulering van gilden. Door onteigening van dat gemene en die regulering op te heffen zagen velen zich gedwongen die uitweg te kiezen, om vooral kinderen en jonge vrouwen die fabrieken in te sturen. Kinderen van acht voor hooguit tien uur per dag en daarna veel langer. Weeshuizen zagen ze ook als een uitweg en de maatschappij als een oplossingen van veel gespuis op straat. Ze stonden er bij en keken er naar. Met dan altijd enkelen die zich daarop bezonnen, vonden dat het anders en beter moest, in eerste instantie met weinig instemming en veel tegenwerking, maar uiteindelijk toch winnaar in dit proces van de evolutie van onze economie.

 

Het verhaal van economisch processen ingeleid door particuliere initiatieven met door overheden bepaalde spelregels, naar wat dat particuliere goed uitkwam en die ze beheersten. De oorlog voerende, strafrecht bepalende, opstanden onderdrukkende naties. Rechtssystemen voor de knechting tot op moord van slaven en volken in kolonies. Het bevorderen van nationale industrialisatie met beschermingsconstructies. Onderdrukken van acties tegen misbruik van arbeid in bedrijven, het verbieden van vakbonden. Nationale overheden maakten de opkomst van het kapitalisme mogelijk. Voor zolang dat die economische macht  overheden konden dicteren wat ze wilden. Waaraan een eind kwam met het algemeen kiesrecht, die de zeggenschap verschoof naar de stem van het volk, naar en voor zover die zich wist te organiseren.

 

Het verhaal tevens van innovatie, het betere in de evolutie door de mens heen wint en kent geen moraal. Japanse camera’s die na de oorlog die van de Duitsers van de markt veegden. De Amerikanen die vielen voor de betere en goedkopere auto’s uit Europa en Japan. De Koreanen die fel inzetten op elektronica. China dat met een overvloed aan handen alles goedkoper kon. Het kapitaal dat van al die mogelijkheden optimaal profiteerde, de compleet vrij gelaten wereldhandel met nauwelijks nog een sturend gezag gewetenloos uitbuitte.

 

Het jojo-effect in de vrijemarkteconomie bracht John Maynard Keynes (1883-1946)  op zijn keynesiaanse theorie, dat een terugval in de conjunctuur, een tekort aan vraag, was te compenseren door die vraag te stimuleren met meer overheidsuitgaven. Met als principe die uitgaven omgekeerd evenredig met die van de particuliere handel, minder privaat meer overheid. Zijn recept voor dat almaar op en neer gaan in de economie en een antwoord op de doem van een gedirigeerde economie naar het model van het communisme. In feite wel weer een door overheden begeleide en gestuurde economie en bijsturing door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds. Daarom fel bestreden door neoliberalisme anti overheidsfanaten.

Met inmiddels opkomend de problematiek van extreme vermogensvorming en zelfverrijking en daarmee toenemende ongelijkheid in de welvaartsverdeling, door succesvolle innovatie op die vrije wereldmarkten en de grote persoonlijke beloningen voor hen die ze weten waar te maken. Het verhaal van Thomas Piketty (1971).

Maar ook dat van zijn tijdgenoot Branko Milanovic dat door die globalisering wereldwijd de ongelijkheid afneemt, die vrije markten welvaart verleggen naar de ontwikkelingslanden,  wereldwijd zorgen voor een snel toenemende middenklasse daar, die in twintig jaar 75% meer te besteden kreeg. Waarbij de middenklasse van het rijke westen wel fors moest inleveren en vooral de superrijken door deze vrije handel veel rijker werden.

Met als reacties van het verliezende westen antiglobalisering en populisme, de expressie van een antwoord daarop willen, en dan graag nationaal. Tevens dat arm of leuk rijk voor tachtig procent wordt bepaald waar men geboren is en moet leven en de wereld makkelijk en goedkoop te bereizen valt. Wat leidt tot een enorme migratiestroom naar rijke gebieden. Die daarom hun grenzen steeds meer sluiten. Terwijl lokale welvaart juist gebaat is met steeds meer mensen, een groeimarkt. Milanovic’s voorstel is dan ook: laat ze binnenkomen maar zonder die rechten, de plicht die zelf zien te verwerven. Instemming van Angela Merkel met haar ‘wir schaffen das’, is goed voor Duitsland dat z’n bevolking ziet krimpen.  Het huidige verhaal met veel vragen, waarbij emoties volledig op hol slaan.

 

De individuele mens in de maatschappij, het menselijk existeren, waar hebben we het dan over? ‘ Edmund Husserl (1858-1938), de bedenker van de fenomenologie, de analyse van de subjectieve processen in de mens, de kern van z’n existentie, z’n wezen. Het vanzelfsprekende van z’n percepties van de wereld, inclusief die van de eigen subjectiviteit met z’n intenties, z’n wil tot beheersing van objecten, in het eigen heden en gericht op later. Het vanuit die automatisch mentale instelling bewust leven en intentioneel handelen. En tot wat voor persoonlijke waarheden leidt dat? De mens met de vele media die op alle vragen  antwoorden weten, elk vooroordeel kan bevestigen, alles voor waar verklaren, en wat dat met z’n denken en doen doet. 

De inleiding tot het scepticisme over wat we denken te kennen en wat menen te weten. De onderkenning van de existentiële nood die absolute zekerheid wil, niet zonder kan en durft te leven. Husserl wil dat de ‘filosofie als wetenschap’ in die zekerheid gaat voorzien, dat die de angstig denkende ziel rust en veiligheid biedt. In een wereld waarin al het andere weten een bodemloze put van relativiteit graaft, de vaste grond waarop we dachten te staan tot leegte verklaart en de mens zo hoogtevrees aanpraat.  Rust en vertrouwen vinden in de evidentie van wat we als vanzelfsprekend waarnemen, de fenomenen waarmee we ons leven leiden, voor de tijd van leven daarvan zeker zijn. In een wereld waarin fenomenen steeds meer schuil gaan in verborgen cybernetische en geglobaliseerd technologieën die we nog slechts met vingers op toetsen en kunnen beroeren, ons geld dat alleen nog op schermen staat en we met pincodes laten circuleren, facebook dat iedereen onze intenties verraadt, al onze vrienden heeft vervangen.

 

Is er een wereld apart van de bewuste toeschouwer, en hoe dan? Terwijl die zich alleen daarin manifesteert, met z’n brein naar daarover verkregen informatie en naar wat daarvan wordt begrepen.  Zonder zelfbewustzijn is er geen bewustzijn van het zijn, onder narcose is er tijdelijk niets, even dat niet zijn van voor onze geboorte. Met dus de vraag wat is dat zijn, en dat zelfbewustzijn in dat zijn? Waarom is er iets en niet niets.? Vragen die Martin Heidegger (1889-1976) probeerde te beantwoorden. Vanuit dat iets, het daarin zijn, zijn wij mensen een Dasein, een ‘er zijn’, een centrum van handelen in de tijd. Een Dasien dat de dingen primair ziet als gereedschap en beoordeelt op bruikbaarheid.  Zo dit Dasien maakt tot een zinvol en doelgericht, voor de tijd dat z’n ‘er zijn’ gegeven is. Ieders Dasein is zo een manifestatie in de evolutie van het zijn. Heidegger verwerpt daarmee het cartesiaanse dualisme, het naast elkaar bestaan van subject en object, ontkent de onafhankelijke ziel in de lichamelijke mens, van een wereld apart van een bewuste toeschouwer. Het voor de mens zijn van de schepping is slechts de immateriële beleving van een Dasien, van een ‘ik denk en dat ben ik’, door denken over en naar aanleiding van informaties, gewaarwordingen die naar dat denken waarnemingen worden van het zijn.

 

Het eerste Dasein oplichtend in het zijn was voor Heidegger de mens. Voor de mens was niets en niemand zich van de schepping bewust. Het ‘er zijn’ bleek al bij de eerste vormen van leven, fossielen daarvan honderden miljoenen jaren oud tonen al iets van een centraal zenuwstelsel voor bewustwording van het zijn bedoeld voor overleven en zinvol handelen. Een evoluerend brein met steeds meer ervaringen met het zijn en programmeringen hoe daarin te zijn. Verhalen van hoe te begrijpen en te handelen, aangeboren, van elkaar geleerd en naar eigen ervaringen. Vogels die van zelf weten nesten te bouwen, bijen hoe samen te werken, de dolfijnen die elkaar leren te jagen, het moederdier dat haar kroost koestert, het mannetjesbeest dat de competitie zoekt. Naar software in het brein, te vergelijken met de programmeringen van computers. Verhalen eveneens evoluerend, daardoor steeds complexer en tenslotte resulterend in dat zelfbewustzijn, het Dasein van de mens.

 

Het zijn en het niet zijn, ‘L étre et le néant’, eveneens het thema van Jean-Paul Sartre (1905-1980).  Onze existentie gaat vooraf aan onze essentie, we beginnen zonder doel en definitie, dat krijgen we pas naar het leven dat we leiden en waarvoor we kiezen, dat het beste past bij onze existentie, ons noodwendig bepaald ‘er zijn’. Daarbij zijn altijd vrije keuzes te maken, waarbij er vaak sprake is van dwang. Maar een keuze valt nooit daarop af te schuiven, is altijd ter eigen verantwoording. Iedereen bepaalt zelf z’n zin voor de samenleving. Dit leidt tot de angst voor die opgave, tot vergetelijkheid om die te ontlopen, tot wanhoop omdat we bij die keuzes nergens houvast vinden dan in eigen essentie, de ontwikkelende persoonlijkheid naar onze existentie. De mens is veroordeling tot absolute vrijheid en moet zelf z’n lot bepalen, is een voortdurend gevecht tussen obsceniteit en beter willen, gemakzucht en doorzetten, begrijpen en vervreemden. Is zo een onrustig ‘niet ding’ los van en buiten het rationeel materiële, in de moderne bodemloze  wereld op zoek naar dingen voor zelfverwerkelijking. Op vele manieren probeerde Sartre zelf ook als bodemloze voet aan de grond te krijgen, door bijvoorbeeld zich te engageren met ideologieën als het marxisme, met de verhalen over eigen keuzes en zingeving in zijn vele boeken en geschriften.

 

We proberen zin te geven aan het iets van een op zich zinloze wereld. De mens als zingevend element in de evolutie ‘in de onredelijke stilte van een absurde wereld’. Albert Camus (1913-1960). We leven zonder iets te bereiken, als Sisyphus duwen we een steen een berg op zodat die op de top gebracht steeds weer terug kan rollen. Het genie van de mens gedoemd om ten onder te gaan met de dood van ons zonnestelsel. ‘Waarom dan nu al geen zelfmoord plegen? Of moeten we rebelleren, leven tot op het maximale?’ In zijn boek ‘de pest’ doet die mens gewoon wat te doen is, anderen bijstaan. Daarbij zou zelfmoord plegen een nederlaag betekenen, de ontkenning van de menselijke  existentie, de mens met zowel zijn existentiële angst als vrijheid, beide te beleven naar eigen vrije keuze.

Het verhaal van een intellectueel rationele beleving van absurditeit van de wereld. Waarin overvloedig wordt gezaaid, met maar kansen voor slechts enkelen tot ontkiemen. Het uitzichtloze van mensen die in het hier en nu niet meekomen, werkloos zijn, worden verstoten, vervolgd, geëlimineerd.  De periode tussen de eerste en de tweede wereldoorlog.

 

Andere verhalen, andere woorden, in andere talen. Al onze bespiegelingen resulteren in verhalen met verklarende en zingevende woorden met referenties. Iedere betekenis van een woord is naar z’n context in een zin en de taal gebezigd. Gottlob Frege (1848-1925).  Hij gaf de filosofie z’n linguïstische wending. Een woord, een zin krijgt betekenis en valt alleen te begrijpen naar de taal waarin die gesproken wordt. Met dus de vraag van de relatie tussen die duidingen in de diverse talen. Voor ieder mens geldt het ‘er zijn’ in de eigen taal met de daarmee geschreven verhalen. ‘we zijn naar onze nationale verhalen’.

 

De taal van de wiskunde is wereldwijd de meest eenduidige en logische. Het instrument voor een logische en ondubbelzinnige analyses van beschrijvingen, aldus Bertrand Russell (1872-1970). Maar ook deze taal stoelt op axioma’s, het niet te bewijzen vanzelfsprekende en subjectieve zoals ‘de kortste verbinding tussen twee punten is een rechte lijn, en die snijden elkaar in het oneindige, dat wil zeggen nooit.’ Maar wat als de ruimte krom is of rond als een rond vlak, een ballon, waarop immers geen rechte lijnen mogelijk zijn?

 

Wanneer is een zin waar, een zin bijvoorbeeld die refereert aan feiten die betekenisloos zijn. Het zogenaamd betekenisvol praten over dingen die niet bestaan maar die we wel kunnen bedenken, zoals die ‘eenhoorn’. Ons denken over anders, beter, in de techniek, de politiek, over wat nog niet is maar misschien wel eens mogelijk is. Het denken over anders als grondslag voor innovaties. Wat is de zin en logica daarvan?

 

Ferdinand de Saussure (1857-1913)  zag de taal als een systeem van tekens met betekenissen waarmee we met elkaar communiceren en denken. Verhalen die ons maken tot betekenisdrager, en tot het ‘ik denk en dat ben ik’. De mens als object bekijken, wetenschappelijk bestuderen, wordt zo het bestuderen van z’n taal. Saussure maakt daarbij een onderscheid tussen de structuur, het gebouw van de taal, de ‘langue’, en het spreken, het ‘parole’, het in dat gebouw met elkaar zijn en er zelf mee verkeren. En dan te bedenken dat we leven in een wereld met vele talen elk met eigen verhalen.

 

Deze linguïstische wending verlegde de focus van de filosofie van het wezen van de dingen naar het wezen van de mens als praatgraag dier. En dan vooral bezien vanuit z’n taal als drager van tekens die binnen een taalstructuur dat z’n ‘ik denk en dat ben ik’ bepalen. De inleiding ook van de sociologie, de studie naar de relaties tussen mensen in een samenleving naar het discours, van hoe gepraat wordt, van die samenleving en de daaruit volgende moraal.

 

‘Samenlevingen worden bijeengehouden door morele regels.’ Emile Durkheim (1858-1917)

Hij ziet de evolutie van die moraliteit van primitief naar complex, van gericht op het collectieve naar het individuele. Traditionele samenlevingen stoelden op één moraal voor handelen en denken. Bevestigd door religies en met zware straffen voor afwijkend gedrag. De moderne samenlevingen kenmerken zich door tolerantie voor het individualistisch non-conformisme, voor verschillen in moraal, denken, geloven. De cultus van het individu met gelijke rechten voor iedereen. Met als probleem de gelijke plichten, de erosie van de samenleving, eerlijke arbeidsverdelingen  als alleen het dienen van het eigen belang de moraal wordt. ‘Want met alleen egoïsten geen samenleving’. Onze huidige zoektocht naar nieuwe morele regels voor alles en iedereen vrij, het vrije marktdenken, het onbeperkt alles mogen zeggen, naar een nieuwe paradigma voor het internationaal regelen van die vrijheid.

 

De relatie tussen taal, gedachte  en werkelijkheid, de taal als verbinding tussen gedachten en werkelijkheden, het zoeken van Ludwig Wittgenstein (1889-1951). ‘Taal is de waarneembare vorm van denken’.  De logica van zinnen moet een afbeelding, afspiegeling zijn van de essentie van werkelijkheid.  Alles dat over iets in die zin gezegd kan worden kan helder gezegd worden, en zo niet dan is het beter daarover te zwijgen.

Taal is niet alleen om waarheden te presenteren, fenomenen te beschrijven maar ook om vragen te poneren, orders te geven, te prijzen of af keuren, spelletjes te spelen. Woorden zijn dan ook duidingen naar de context waarin ze worden gebruikt, de activiteiten van taalgebruikers, hun ‘parole’, hun ‘er zijn’ in de taal.

De problematiek van het verwoorden van wat we vinden van de wereld, z’n zijn, wezen, willen of niet willen. Woorden zoeken voor de verbazing dat die wereld er is en niet niet is. De pogingen van Wittgenstein tot vernietiging van de westerse metafysicacultuur, het verhaal van het gewaand hogere achter de dingen en de zin van het zijn van mensen, van een te gehoorzamen buitenmenselijke ethiek is.

 

Taal, een systeem van tekens die staan voor betekenissen in de geest van de spreker of schrijver. Vanaf onze jeugd zijn we afhankelijke van de taal, de verhalen van de gemeenschap waarin we geestelijk opgroeien door opvoeding, indoctrinatie, scholing, gecombineerd met eigen keuzes vanuit een eigen individualiteit.

De mens is genetisch bepaald een praatgraag dier. Kinderen leren als vanzelf praten, hebben daarvoor een aangeboren aanleg, volgens Avram Noam Chomsky (1928) We beginnen dus niet met een schone lei.

In balans met het niveau van de verhalen die men verteld krijgt ontwikkelt zich het brein en daarmee het vermogen tot bewust denken. In het algemeen tot het gezonde verstand met de vanzelfsprekende aanvaarding van de alledaagse werkelijkheid naar de woorden van die verhalen. 

Schrijven, het in feite vertalen van denken in tekens met betekenis, maakt de mens bewust van z’n falen in dat denken, van niet anders dan met de eigen woordenschat kunnen denken. De filosoof, wetenschapper, kunstenaar worstelend met z’n gedachten om die met woorden op orde te krijgen naar eigen belevingen van de werkelijkheid. Dat soms leidt tot nieuwe woorden en daarmee tot de evolutie van het menselijk verhaal.   

 

Claude Levy-Strauss (1908) Culturen zijn naar hun mythe en geven samenlevingen structuur, een ‘langue’ voor het actueel praten, met individueel verschillende inhouden, het persoonlijke ‘parole’, maar wel binnen die gemeenschappelijke structuur . Een structuur die onderhevig is aan een constante evolutie, aanpassing aan de ontwikkeling van opvattingen, kennis en ervaring. De mythe is dan ook niet tijdloos maar naar een proces van opeenvolging van steeds nieuwe paradigma’s, steeds weer met wezenlijk andere visies op een cultuur.

 

‘Denken van onder af, het actueel gebeuren, de blikseminslagen nu’. De onderkenning van de universele geschiedenis in het huidig toevallige. De enkeling die nieuwe mogelijkheden bedenkt en daarmee die actuele geüniformeerde mythe veranderen. Michel Foucault (1926-1984). Wat en hoe is de relatie tussen persoonlijke kennis met die van de heersende machten? Hoe bepalend zijn hun verhalen die we verteld krijgen voor ons denken? ‘Is wetenschappelijke kennis is niet meer dan een middel tot sociale controle?’  De kennis over waanzin in de achttiende eeuw was toen een motief om iedereen die slecht mee kwam in de maatschappij te weren, op te sluiten en te behandelen als verdoemd. Nieuwe inzichten lieten gevangenissen de rol van executies overnemen. Het controleren van de geest met verhalen als een beter middel dan straffen. In de Middeleeuwen was seks een lichamelijk verhaal. Met Freud’s verhaal kreeg het onderbewuste en duistere bedoelingen. Al de concepten waarmee we onszelf begrijpen en verantwoorden, vinden wat normaal is, hoe het hoort, seksualiteit, ze zijn naar de actueel mythe. En daarmee voortdurend onderhevig aan veranderingen. En die zijn niet gericht op vooruitgang maar naar de behoefte van machten om het gedrag van individuen te reguleren en te controleren. De mythes van het nationalisme, neoliberalisme, van dictators, over vreemdelingen, van kwakzalvers, IS.

Een pessimistische verhaal, maar mede het middel om relaties tussen en kennis en machten te ontmaskeren en te veranderen.

 

In de mens vallen de structuren van taal, spreken en denken samen. Elk woord is een verhaal en daarmee verbonden, verweven met de actuele structuur van denken. Het woord ‘bacterie’ is gekoppeld aan de actuele kennis daarvan, het woord ‘oerknal’ aan de vele opvattingen daarover. De waarheid is de illusie van de filosofie waarin men gelooft. Het idee dat de mens greep heeft op eigen taal, en daarmee een rationeel autonoom denkend wezen is, vergeet het maar. Jacques Derrida (1930)  Onze kijk op de wereld is altijd subjectief, reikt niet verder dan de actuele taal, de mythe die we hebben meegekregen en waarmee we dan ook leven. Een mythe die evolueert en dus steeds weer andere mensen maakt.

Een visie die elke objectieve structuur voor die mythe voor taal en denken ontkent. Derrida ondergraaft daarmee het idee van de mens als rationeel bewust z’n denken beheersend subject. Iedereen is naar de relativiteit van zijn tijd en met z’n mythen.

 

Albert Einstein (1897-1955) bevestigd die relativiteit voor de mythe van het stoffelijke van de wereld, begon met het oplossen van wetenschappelijke waarheden in steeds vager vermoedens. Hij bewees de lichtsnelheid als constant, altijd gelijk of we nu er mee of tegenin bewogen. Dat materie energie is en wel naar de formule E (energie) = m c2, waarin m de massa van materie is en c de lichtsnelheid, en dus heel veel energie. De atoombom bevestigde dit verhaal. Hij gaf het heelal vier dimensies met de tijd als vierde. Een tijd die bij zware objecten, meer zwaartekracht, langzamer ging en tot op nul, dus niet overal constant was. In 1962 door natuurkundigen bevestigd. Plaatsbepaling met radiogolven naar en van satellieten, tom-tom, moet er rekening mee houden. Dit leidde tot de tweelingparadox, dat als van een tweeling de een na een rondreis met grote snelheid maakt die jonger terug komt dan de achterblijver.  Het begin van het heelal, 13,5 miljard jaar geleden, bleek het ontstaan van iets, elementaire deeltjes, uit niets. Naar onze mythe iets materieels. Dat we kijkend door de lichtdoorlatende materialen als glas zien als niets, leegte. Met daarin kennelijk een spel van krachten waardoor wij, ook naar dit spel, dat als stoffelijke beleven. En dat we als ruimtelijk ervaren. Ruimte waarin materiële deeltjes tijdloos met elkaar verstrengeld op twee plekken tegelijk kunnen zijn. Een gegeven dat we hopen te kunnen benutten voor internet met verstrengelde computers, met elkaar communicerend zonder draden en radiogolven, de ruimte zo ontkennen, die tot een van onze illusies maken.

Materie kenmerkt zich door zwaartekracht. Daardoor trekken massa’s elkaar aan met een kracht rechtevenredig met de som van de massa’s en omgekeerd evenredig met het kwadraat van hun onderlinge afstand. Daardoor zorgt die kracht dat de aarde draait om de zon en niet verdwijnt in de ruimte. In grote massa’s als sterren brengt die kracht waterstof tot fuseren, het proces van vorming van de natuurlijke elementen die planeten als onze aarde en leven daarop mogelijk maken. Daarbij komt energie vrij, naar E = m c2, in de vorm van elektromagnetische straling de ruimte in. Straling die wij voor een klein deel beleven als licht, de straling waarmee wij zien. Zwaartekracht, nog steeds een groot mysterie. Volgens Einstein vervormen massa’s de ruimte zodat die, sterren en planeten daarin rond rollen. Grote concentraties leiden tot zwarte gaten, sterren die alles opslokken en vast houden, ook die elektromagnetische straling en dus ook licht en daardoor zwart zijn, dat wil zeggen voor ons onzichtbaar. In dergelijke enorme massa’s zet hun zwaartekracht ook de tijd rop nul. Mede de verklaring waarom licht, met altijd immers een constante snelheid, niet meer ontsnapt. Afgelegde lengte = snelheid x tijd, en met daarin de tijd = nul is die afstand ook nul. Inmiddels is weer een nieuw verhaal voor die zwaartekracht aan de orde.

 

Allemaal verhalen van natuurkundigen die niet meer aansluiten op het vanzelfsprekende van onze alledaagse werkelijkheid, de mythes waarmee we de natuur beleven. Fundamenteel weten is ons mogelijk ook niet gegeven. Het is als licht willen bekijken met licht, met zichzelf, de natuur met een onderdeel daarvan. De fundamentele wetenschappen stranden dan ook steeds meer uit op vage vermoedens. Die wel heel praktisch bruikbaar zijn voor ons er in en mee zijn.

 

Wetenschappen zijn altijd falsificeerbaar. Karl Popper (1902-1994) . Ze beginnen met waarnemen, bijvoorbeeld dat alle raven zwart zijn omdat nog nooit een witte raaf is gezien. Maken dat tot een waarheid, die in principe falsificeerbaar is. Net als ‘alle zwanen zijn wit’ tot er ook zwarte blijken te zijn. ‘Een waarheid verbiedt bepaalde verschijnselen’, bedacht Einstein.  ‘Als de zon om de aarde draait kan die dus niet stil staan in het heelal’. Hij bewees  dat de zon stil stond. Beter kijken kan leidde tot falsificatie. Nog beter kijken tot dat de zon beweegt in een melkwegstelsel.

Wetenschappelijke wetten baseren we op waargenomen regelmatigheden en zijn daarmee generalisaties die we als conclusies beschouwen, maar in feite vermoedens zijn, hypothesen. ‘Een ervaring kan nooit een theorie als waar verifiëren maar wel falsificeren’.

 

Kurt Göbel (1906-1978) voegt hier aan toe zijn stelling van de fundamentele incompleetheid. Elk logisch systeem, verhaal gaat uit van niet te bewijzen veronderstellingen, axioma’s, ook  de meetkunde. ‘De kortste verbinding tussen twee punten is een rechte lijn’. Lijkt logisch maar als rechte lijnen niet mogelijk blijken?  Zijn benadering van de werkelijkheid in de filosofie gezien als het bewijs van de onmogelijkheid van kunstmatige intelligentie, dat die dus nooit de mens zal overvleugelen. Een bevestiging ook van het idee van Plato, van het domein van onafhankelijke waarheden en alleen door menselijk intellect te benaderen, vooral in de wiskunde, maar in feite nooit te bereiken. En zeker niet door computers, machines die altijd eindige systemen zijn.

 

Alan Turing (1912-1954)  zag de menselijke intelligentie eveneens als eindig en beperkt, het menselijk brein als een eindige machine. Hij leverde een grote bijdrage aan de kunstmatige intelligentie, aan de ontwikkeling van een machine die vragen exact kon beantwoorden, het denken van mensen imiteerde. Die in de tweede wereldoorlog toegepast mee hielp de duikbootoorlog te winnen. Omdat gay zijn toen nog verboden was koos hij voor de dood.

 

Burrhus Frederic Skinner (1904-1990) meende radicaal te hebben afgerekend met het dualisme van Descarte, met het idee van het bestaan van een niet fysieke geest, een onsterfelijke ziel, en wel met een radicaal behaviorisme, de filosofie achter de psychologie.

Een persoonlijk mentaal domein is helemaal niet nodig voor de verklaring van het menselijk gedrag. De condities van de omgeving zijn daarvoor bepalend, bestaande structuren conditioneren gedrag. Criminelen en onaangepasten zijn het product van maatschappelijke factoren. En net als dieren daarbij niet vrij noch daarvoor verantwoordelijk te stellen. De stadswijken in steden die niet anders dan uitkomen op wat hun condities mogelijk maken. Met de vraagstelling van de persoonlijke verantwoordelijkheid.

 

‘De vrije wil bestaat niet.’ Victor Lamme (1959). De mens is een bewuste automaat, met proeven aan het brein bewezen. We handelen onbewust maar zijn ons daarvan wel bewust. De rechter helft van de hersenen die automatisch op waarnemingen reageren en die vervolgens melden aan de linker helft, die een paar seconden later een daarbij logisch passend verhaal produceert. Het linker bewustzijn als een praatgraag verteller, een kwebbeldoos over wat rechts onbewust gebeurt. De eerste wereldoorlog bedacht de gladde niet vervormende kogel, om tegenstanders vooral humaan uit te schakelend, in hersenen niet altijd dodelijk maar wel beschadigend. Een periode met heel veel materiaal voor de opkomende neurowetenschappen. Gewonde hersenen die wel in staat waren tot zien maar zich daarvan niet bewust waren als de verbinding tussen die linker en rechter helft was uitgeschakeld. Er zijn en handelen zonder bewustwording. De slaapwandelaar die niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor z’n daden.

 

Antonio Damasio (1944) Ook al handelen we onbewust, zoals bijvoorbeeld auto rijden, we leren bewust, zijn wel in staat daarover na te denken en conclusies te trekken, wat bij dat rijden niet fout ging. Het eerste dierlijk leven had al een primitief brein met de beleving van een ‘er zijn’, had al iets van een kernbewustzijn. Dat zich ontwikkelde tot een beself van zich zelf zijn in het hier en nu, daarmee een beleving van eigenheid als persoonlijk eigendom. Dat bij de mens de dimensies krijgt van een verleden en een toekomst. En daarmee dat vermogen tot nadenken over wat is gebeurd en lessen trekken voor de later. De mens is dan ook meer dan een kwebbeldoos, blijft de dirigent van de muziek die hij of zij vooral onbewust maakt. Zijn in de wereld, achter het stuur in de auto, een toetsenbord vereist automatisch onbewust handelen. Bij het zien van een leeuw meteen wegrennen, een automatische reactie die de leeuw altijd zal verwachten en vaak veel sneller kan rennen. De mens die dat kan bedenken en stil blijft staan, en daarmee de leeuw in verwarring brengt. De mens als trage denker om door na te denken steeds beter onbewust te kunnen handelen, in het verkeer steeds veiliger te rijden, als pianist steeds beter leert spelen.

De filosofie achter de wetenschappers, de mens die toch verantwoordelijk is en wil zijn van z’n doen en laten.

 

 ‘Het wetenschappelijke en culturele is geen proces van continue vooruitgang maar van radicale en onoverbrugbare discontinuïteiten.’  Thomas Kuhn (1922-1996)  De geschiedenis van samenlevingen kenmerkt zich door geregeld revolutionair geweld. Veroorzaakt door het te lang vasthouden aan en bevestigen van bestaande meningen, koesteren van het heersende paradigma, de negatie van nieuwe ontwikkelingen. De moeite die men had met de radiaal andere kijk op de wereld van Copernicus. Daardoor zijn visies, mentaal culturele instellingen, voor en na zo’n omwenteling moeilijk vergelijkbaar. De blik op de wereld verandert dan wel, maar of die in alle opzichten beter is? Het idee van een evolutie tot op de absolute waarheid is in ieder geval twijfelachtig. De verhalen van Hegel en Marx kunnen we wel vergeten. Organismen, diersoorten, en dus ook de mens evolueren niet naar een ultiem wezen, maar komen uit op het voor de actualiteit meest praktisch bruikbare. Innovatie genereren nieuwe paradigma’s, of die ons nu zinnen of niet. Vooral met wetenschappen en daarop gebaseerde technieken in snelle opmars en voortdurend radicaal andere uitkomsten.

 

Kuhn ging er nog van uit dat binnen de actualiteit slechts één theorie de best bruikbare was. Paul Feyerbach (1924-1994) verwerpt ook dat idee, stelt dat wetenschap bedrijven een voortdurende competitie is van elkaar bestrijdende alternatieve hypothesen. Een theorie is naar de waargenomen feiten. Maar die feiten zijn weer naar de theorie, de actuele conventies, naar waarin we geloven en het daarbij behorende spel met woorden. De wetenschap is in principe anarchistisch, er een van alles kan en moet mogen. De structuur van een samenleving kan dan ook op vele manieren gestalte krijgen. De verschillen tussen die van oost en west.

De exacte en op technieken gerichte wetenschappen bewijzen wel het mogelijke van steeds beter en volmaakter. Dat wil zeggen in structuren die daarvoor open staan, waarin vrije initiatieven mogelijk zijn en vrije markten daarover mogen oordelen met kwaliteitsconcurrentie. De niet exacte als economie en sociologie blijven gebruikelijk steken in hypothesen die dominante machten het beste uitkomen.

 

Willard van Omar Quine (1908-2000) zag de wetenschap toch als de ultieme scheidsrechter van de waarheid, als de weg naar praktische waarheden. Maar dan wel die wetenschappen die zich weten te beperken tot onze zintuiglijke prikkels, tot wat we concreet waarnemen en ervaren. ‘Ik geloof in het fysieke object en niet in de goden van Homerus’. Dat fysieke wel steeds naar het verhaal waarin we geloven, naar de actuele cultuur. En die weg volgens hem te baseren op empirische weten, op pragmatisch begrijpen en benutten van zintuiglijke belevingen,  en voortdurend  open voor innovatie. Met van eminent belang de taal, die structuur met betekenissen waarbinnen die aanspraken op weten en duiden worden gedaan. Altijd een voor elk volk eigen weefsel van woorden, verward met mythen en conventies van voorvaderen, om wijsheden en praktische waarheden te verkondigen en door te geven. 

 

De natuurlijke wereld is een realiteit en we hebben de rede om die naar onze hand te zetten, zo te streven naar een gelukkig leven. Ayn Rand (1905-!982) geboren in St. Petersburg, vluchtte voor de ideologie van de Russische Republiek naar de VS, van plan daar een groot schrijver en denker te worden.  Ze ontwikkelde een filosofie van het objectivisme, de ideologie van individualisme met de deugd van het egoïsme, een sterk pleidooi voor het kapitalisme.

‘We dienen te handelen met het oog op ons eigen geluk en met respect voor anderen, zijn daarbij redelijk te blijven, zodat we datzelfde streven van anderen niet schaden.’ Die overigens zelf moeten zien hoe zij hun geluk realiseren. Handelend naar dit principe hebben we dan ook geen andere morele codes nodig, zoals die van gedweeheid, onzelfzuchtigheid. Altruïsme komt dit streven zeker niet ten goede, verleidt slechts tot daarvan afwijken.

Inmiddels kleurt haar verhaal van hyperindividualisme het politieke debat in haar nieuwe vaderland, worden haar veel gelezen romans, illustraties van de mens die primair functioneert vanuit z’n natuurlijke staat, z’n instinct tot overleven. De ‘tea party’ predikt haar geloof en haar maatschappelijke visies. Alan Greenspan, overheidswaakhond van de banken in de VS, was een volgeling van haar en werd in zijn beleid sterk daar haar beïnvloed. De Republikeinse Partij in de VS bevrijdde ze van elke vorm van solidariteit.

 

Hanna Arendt (1906-1975 ) moest als Jodin ook vluchten voor zo’n ideologische ontsporing met de obsessie haar volk te moeten vernietigen , eveneens naar Amerika. Na de oorlog volgde zij het proces tegen  Eichmann, de uitvoerder van de Holocaust. En noteerde daar de banaliteit van het kwaad, de politiek maatschappelijk bureaucratische onverschilligheid van mensen die anderen compleet aan hun lot overlaat, hun problemen bagatelliseren, negeren, ontkennen. Ook hoe dit leidde tot het verzaken van de democratie. Die Hitler die democratisch aan de macht kwam met zijn sociale beloften, van eerherstel en eliminatie van de grote boosdoeners, vooral de Joden.

Nu weer dat kiezen voor leiders van soortgelijk beloven, die de democratie niet zo nauw nemen en de rechtstaat banaliseren. De heerschappij van de stem van het volk, die van de algemene wil van de meerderheid, was voor haar dan ook een gruwel. Politiek moest zich dan ook nooit baseren op een ideologie als socialisme, liberalisme, maar diende uit te gaan van de pluraliteit van een gemeenschap, het rekening houden met de menselijke diversiteit, met alle minderheden en de gegeven historische situatie. Hoe en met wat voor democratie, dat wist zij niet nader uit te werken. In elk geval dus weg met de tirannie van kijkcijfers en opiniepijlers, de uitslagen van enquêtes en referenda, de stem van de angst en de roep om verlossing. 

 

Ernst Bloch (1885-1977).  ‘De mens is filosoof naar hij of zij wil zijn’. Ook hij moest als Jood vluchten, naar de VS. Daar bleef hij utopisch, zodat hij na de oorlog terugkeerde naar het marxisme van Oost Duitsland. Maar vrijheidslievend blijvend vluchtte hij al snel naar West Duitsland.

Als filosoof bleef hij harnekkig hopen op eens een betere wereld, ‘Wat is kan niet waar zijn, mag niet waar zijn’. De mens is een bewustzijn van ‘het nog niet zijn’, is zo een kraamkamer voor het nieuwe en betere, heeft in zich de schemering van de weg naar vooruitgang. Het onbewuste van ‘het nog niet zijn’ als aanvulling op het persoonlijk onbewuste van Freud en het collectieve van Jung. ‘Een gedachte dringt pas door tot de werkelijkheid als die werkelijkheid ze afdwingt’. Marx. Het ‘nog niet zijn’ als de wil van de historie, die zich manifesteert in de mens. Zijn denken naar Schopenhauer en Nietzsche.

De hopende mens zich bewust van het nog niet zijn dat moet komen. Daarmee de drijvende kracht in de evolutie van de mensheid. Dromend van z’n warme krachten en strijdend tegen de koude. Als filosoof van de hoop wilde Bloch vooral ook lering trekken uit het verleden. ‘Religie is mede hopen en een atheïst is dan ook vaak een gelovige’. Met als kanttekening dat de atheïstische verlichting de kracht van het kwaad had onderschat. Bloch wilde twee utopieën, een sociale en een rechtvaardige, een die de noden opheft en waarin men gelukkig kan zijn en een die de vernedering opheft en veiligheid en geborgenheid garandeert. Tot aan zijn dood bleef hij geloven in een soort communisme als omega. Met een accent op fantasie en verbeelding en vooral niet alleen op het rationeel wetenschappelijke. Een exponent van ‘dit mag niet de waarheid zijn’ en van het willen blijven geloven en hopen in ‘het zal en moet anders en beter’.

 

Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) sloot aan op de fenomenologie van Husserl, de dubbelzinnigheid van de waarneming, de directe en die van de intuïtieve. Samen vereend leidend tot de existentiële waarneming, het van hoe de dingen aan ons bewustzijn verschijnen en worden verantwoord. Een benadering aansluitend op het existentialisme dat iedere persoon beschouwd als een uniek wezen en verantwoordelijk voor eigen daden en eigen lot. De mens die binnen een op zich absurd en zinloos ‘er zijn’ de vrijheid heeft om z’n bestaan naar eigen ethiek zin te geven.

De essentie van ons Dasein in de wereld die we waarnemen, het daarin zijn en die we be- en doorleven. Een wereld die er voor die perceptie al is en onafhankelijk daarvan. Ons innerlijk ‘er zijn’ dat niet boven of buiten de wereld opereert maar er in en er mee. Naar ons existeren, ons Dasein in de wereld. Dat ons veroordeelt tot zelf zin te geven aan die wereld, tot persoonlijk beslissen en verantwoorden over zijn betekenis voor ons Dasein. Het leven dat de wereld primair beoordeelt op z’n bruikbaarheid voor overleven en leuk en interessant leven.

Een wereld die daardoor voor ons nooit totaal kenbaar wordt maar altijd is naar die zingeving op bruikbaarheid. De verwevenheid van de mens met de wereld als de vraagstelling van deze filosoof. Niet de kenrelatie van subject en object, de mens en het fenomeen, maar de zijnsrelatie van beide. Die is begint met een voorbewuste perceptie en duiding van het zinveld waarin we zijn, naar ons van nature, genetisch bepaald zijn met de wereld. 

Waarnemen is daardoor altijd geloven en verklaren vanuit de wijze waarop we in de wereld zijn, naar de filosofie, politiek, ideologie, religie waarmee we geïndoctrineerd zijn. Merleau-Ponty leefde in de tijd van heftig botsende ideologieën, marxisme, kapitalisme, liberalisme, conservatisme. Daarbij wees hij elke absolute waarheid, ieder stelling nemen af, zag hij ze alle als betrekkelijk en te falsificeren. ‘Verwerp de noodwendigheid van het dialectisch denken, de wil van de geschiedenis of het bovennatuurlijke. Blijf vragen zoals Socrates’. Wat zijn de doelen en de zin van een standpunt, wat zijn de mogelijke middelen om het waar te maken en naar welke politiek’.

Een filosofie van de beleving van de wereld als vreemd en volop twijfels. Zoals die over onze lichamelijkheid met los en vrij daarvan een ziel. Of licht die daarin slechts even op als we wakker zijn, als licht in een lamp, is even uit is als we slapen en voor altijd als we stuk gaan. Het ‘ik denk en dat ben ik’ in het materiële naar de evolutie van onze genen. Met daaraan toegevoegd het bruikbaar gemaakte materiële door ons heen evoluerend, de middelen waarmee we ons materieel verlengen, met middelen als gereedschappen en verhalen in ons brein hoe ze te maken en gebruiken. Resulterend in een materiële wereld waarin we zijn, in het ‘je en suis’ van Merleau Ponty. Met al die anderen waarmee we communiceren in de door ons geschapen menselijke ruimte, ‘waarmee we zijn’. In het discours over de dingen, onbepaald tot we samen het woord weten, we daarmee het elkaar kunnen duiden en zowel samen als persoonlijk zin weten te geven. De woorden naar het alledaagse vanzelfsprekende, ‘des parole parlée’ en de woorden die nog zin en betekenis zoeken ‘des parole parlant’. Samen de taal naar de stem van ons Dasein in de wereld.

 

Frans de Waal (1948) schreef zijn ‘Een tijd voor empathie’, dat ook dieren emoties kennen en gevoelens voor elkaar, in de tijd vooruit denken, leren van ervaringen en elkaar, met eigen talen communiceren, gereedschappen maken en gebruiken. En dat wij mensen in vele opzichten zijn als dieren. Dat gelukkig en tevreden zijn vooral genetisch is, te maken heeft met bevrediging van onze driften en instincten, van seksuele verlangen, gezellig elkaar koesteren, moederliefde in een leuk en warm nest, goed eten en drinken, een lekker diertje kunnen zijn. Dat hetzelfde geldt voor onze angsten en depressies. Gegevens waar reclame, predikers, politici, graag op inspelen.

 

De rechten van mensen hebben we geformuleerd. Aan de orde is die van de dieren, de erkenning van ze als persoonlijkheden met een te respecteren ‘er zijn’. Volledig genegeerd in de bio-industrie, de huidige productie van voor ons onmisbare eiwitten. Innovatie gericht op dit kweken en fabrieksmatig produceren, als eens margarine, kan ons mogelijk van deze misstand bevrijden. Ons voedsel vrijwel altijd verpakt en verleidelijk aangeprezen hoeft alleen maar verantwoord en lekker te zijn. En echt vlees? Van het beheersen van de wildstand in de vrije natuur, dan volop beschikbaar als we die niet meer gebruiken voor die bio-industrie.

 

Peter Sloterdijk (1947)  Onze grote thema’s zijn niets anders dan ontwijkingen en halve waarheden. De huidige westerse maatschappij is vooral gebaseerd op nihilisme, met als antwoord cynisme. We moeten op zoek naar methoden om ons opnieuw te temmen, te oefenen voor het leven, immuun te maken voor gevaren, te ontworstelen aan het lot. Het lot dat iedereen opzadelt met een invalide begin, lichamelijk en geestelijk. Om vervolgens daarmee wat van het leven zien te maken, te proberen door oefening en training de eigen onvolkomenheden te compenseren. Waarin velen maar beperkt in slagen, slechts weinig wat van hun leven weten te maken.

Wat zich manifesteert in de anarchie van de volkswil vanuit woede over het lot getrokken en de onmacht om daarmee te leven. Met kwalijke politieke consequenties, de boze burger die vooral nee wil zeggen, het genante politieke debat dat met alles willen zeggen de werkelijke thema’s ontwijkt.

Met de vraag wat daaraan te doen, hoe nieuwe generaties te trainen voor het ongewisse van de moderne wereld, die elk geloof in het hogere of wijze meesters heeft afgezworen en alle moraal vrijblijvend.  Een wereld waarin zij die het wel even maken geen visies meer hebben, vooral afwachten wat er komt en bekijken hoe daarop adequaat valt te reageren, het veel te veel almaar laverend naar daarvoor veilige havens. De winnaars die het leven beleven als een bevrijding, die tevens destabiliserend werkt en elke illusie onderuit haalt, die immers weten van zowel winnen als verliezen. Verliezers die op zoek gaan naar troost en zo makkelijk prooi worden van de drugs van schijnzekerheden. De huidige generatie, die dan ook staat voor een mondiale breuk en z’n verhaal, ‘z’n filosofen opnieuw heeft te herlezen’. Om zich daarmee een geschiedenis te geven en zo een door lering en verdieping opnieuw en anders beginnen, een zicht op verder en beter. Met dan wel de vraag hoeveel zijn daartoe in staat, zullen en kunnen de fakkels van onze filosofen overnemen, en zijn dat er voldoende als tegenwicht tegen die boze burger. Is het zinkende schip nog te redden of bevindt het zich al in de staat van de Titanic? Geert Mak in een ‘college tour’ in 2016. Onderin zien we immers al velen ten onder gaan, verkommeren achter hekken en muren, ontroerende kinderlijkjes op stranden, onder puin, zien we ratten het schip verlaten, Brexit, de Panama Papers .

 

Verkenningen van de toekomst

 

Zo wat filosofen herlezen, ideeën en gedachten gesprokkeld in enige eeuwen Europese geschiedenis, begonnen rond de Middellandse Zee. Genoteerd naar persoonlijk kunnen en willen begrijpen van die verhalen. Het discours gevolgd over hoe nu verder met onze samenleving, inmiddels mondiaal met alles en iedereen verweven. Volop in de gang met nieuwe paradigma’s die zich aftekenen, door nog slechts enkelen begrepen, deels tegenstrijdig, door velen verkeerd, vertekend en gezien bedreigend. Het onpersoonlijke waar het individu steeds minder grip op krijgt; ‘Het proces’, ‘Het slot’ van Kafka (1983-1924), de maatschappij als een nachtmerrie die onafwendbaar realiteit wordt. Het verlangen al dit onpersoonlijk onheilspellend noodwendige weer te persoonlijk te maken, binnen eigen kringen van samen zijn naar het eigen visies. Met wel het nationalisme van het geloof in eigen gelijk en zo weer z’n nachtmerries voor anders denkenden. De problematiek van het zindelijk en zedelijk houden van dit discours.

 

‘De mondialisering die een virtuele hypermaatschappij creëert met alle middelen en macht in handen van een kleine minderheid.’ Jean Boudrillard (1927-2007). We zijn op weg naar parallelle en van elkaar gescheiden samenlevingen. De architecten die de steden opdelen in af te sluiten ruimten voor soort zoekt soort, met openbare ruimten naar wat de dominante machten willen. De steden waarin tachtig procent loopt en fietst inrichten voor de auto. De consumptiemens levend in de schijnwereld van reclames, het almaar verleidelijk verwarrend anders, in de hel van in feite steeds hetzelfde en niks nieuws. Het ontbreken van visies en daarmee perspectieven versluierd  door de spektakels van het nieuws, het eigen gelijk op internet, media die kijkcijfers eisen. Politieke deformatie van waarheden en ongegeneerd gemeen op de tegenspeler inspelen. Het schilderij met de schaduw van wit op wit, puur blauw maar wel persoonlijk en gepatenteerd. De actuele verwarring van zin en onzin in deze zich vervolmakende wereld.

 

Wetenschappen dicteren een evolutie door ons heen.

 

De verlichting verloste de wetenschappen van hun ketenen en transformeerde daarmee de evolutie van het materiële door de mens heen naar wat die daarmee geopenbaard  kreeg, al het mogelijke naar de natuurwetten.  De theoretische weenschappen onthulden daarvoor de algemeen geldende  principes, die de technisch toegepast voor wat zich bewees als praktisch bruikbaar technisch leidden tot het kwaliteitsproduct. De theoretische daarbij uitkomend op steeds vager vermoedens over de echte wereld, de relativiteit van wat we ons daarvan verbeelden. Met maatschappelijk de problematiek van al dat mogelijke te moeten mogen of niet en wat dan wel, in feite de moraal van dit verhaal.

 

Met de mens als een eenheid van eigen en toegevoegde materie, van het lichamelijke materieel verlengd met materiële middelen. Uitwendig met middelen als gereedschappen consumptieartikelen, en inwendig elektrisch in ons brein, programmeringen met gebruiksvoorschriften ervoor en ervaringen er mee. Verlengingen die ieders mens maken naar genen en verhalen, een diersoort naar ervaringen en dressuur.

 

Evolutie tendeert naar vervolmaking. In de natuurlijk het zich continu praktisch volmaakt afgestemd houden van elk leven op z’n ecosysteem. De pinguïns die zich lekker thuis voelen op het Zuidpoolijs. De evolutie door ons heen op het actueel praktisch volmaakte bruikbare voor overleven tot leuk en interessant leven. Beide naar wat de natuurwetten mogelijk maken, beperkt tot de daarin besloten principes en wat daarop valt te variëren. Het principe van atomen, het aantal elektronen rond een kern, de variatie, de vele moleculen daarmee te maken. Het DNA, het principe voor codering van leven naar één principe, waarop de evolutie naar behoefte varieerde, vanaf de Adam en Eva voor al het dierlijk leven tot op de mens. Het principe van een centraal zenuwcentrum met een brein dat zich eindeloos gevarieerd laat programmeren. De producten die wij maken naar de principes van ons fundamenteel weten waarop praktisch weten eindeloos weet te variëren. Met de meeste principes onderkend is innovatie steeds meer een daarop zoeken en vinden van variaties en combinaties.

 

Fundamentele wetenschappen laten het voor ons vanzelfsprekende van materie, ruimte, tijd oplossen in steeds moeilijker te begrijpen vermoedens. Die toegepaste wetenschappen weten te herleiden tot praktische kennis, het verhaal waarmee steppen en oerbossen zich transformeerden in het huidige cultuurlandschap, de chaos van het stedelijke met z’n vele tentakels in en over het nog resterend natuurlijke. De actuele uitdaging deze chaos te beheersen, aan filosofen daarvoor nieuwe verhalen te bedenken. In de hoop daarbij deze ontwikkeling voor te blijven, die inmiddels dreigt met corrigerende maatregelen als klimaatsverandering, het uitsterven vele diersoorten, en niet onmogelijk met kantelpunten die ook de mensheid reduceert tot wat dit nieuwe ecosysteem nog aan kan.

 

Wetenschappen kennen immers geen moraal, die moet van filosofen moet komen, verhalen voor de politiek hoe daarmee om te gaan. Fundamentele wetenschappen zijn gebaat bij absolute vrijheid, nergens in te hoeven geloven en alles te mogen bewijzen, zullen optimaal gedijen in een samenleving die daarvoor kiest. Een vrij marktmechanisme toont aan dat markten nauwelijks geld daarvoor over hebben. Vrijwel al ons fundamenteel weten is dan door overheden bekostigd, daarmee van origine een gemene zaak. Deeltjesversnellers, internet, ruimteonderzoek met satellieten, de mogelijkheden van kernfusie, veel medisch onderzoek, allemaal met belastinggeld.

 

Vervolmaking als een bittere noodzaak voor ons verder voortbestaan, met daarbij zowel pessimistische als optimistische visies, diverse politieke standpunten, inclusief de ontkenning van problemen,  dat goden beter weten en zullen beslissen wat moet.

De vervolmaking van al het materiële dat we aan ons toevoegen, die van onze materiële verlenging. Op vrije markten tendeert dat naar een uiterste in ascese, het actueel uiterst mogelijke, maar wel beperkt tot wat de markt wil en kan betalen. Kwaliteit als voorwaarde voor overleven van bedrijven.

Een vervolmaking die naar het verhaal van Hegel uitkomt op eindwaarden, op producten die nauwelijks nog te innoveren niet meer verouderen en dan op vrije markten zo lang mogelijk moeten meegaan. Nieuwe apparaten die niets nieuws bieden, onroerende goederen die steeds langer mee gaan, openbare voorzieningen voor vele eeuwen, de auto eenmaal elektrisch uitgeëvolueerd. Een vervolmaking die leidt tot eens economisch ‘alles al hebben’, over meerdere generaties heen en in gebruik te houden in kringlopen, door eerlijke verdelingen van die erfenis. Met als werkgelegenheid voor die toekomst vooral onderhouden en renovatie.  Voor auto’s, woningen al gebruikelijk voor heel andere producten mogelijk. Een accu, mechaniek, installatie vervangen wordt al steeds gebruikelijker. Geproduceerde overdaad vindt z’n weg in kringlopen. 

 

De evolutie door ons heen van het materiële, dat steeds langer meegaat, van machines, automaten, robots die het werk overnemen. Die werkers in bedrijven en op het land naar huis stuurt. Die werken gaat beperken tot wat apparaten niet kunnen en waar menselijke intelligentie onontbeerlijk blijft, voor het almaar hoger geschoolde. Het alternatief voor ondernemingen in democratische landen met vakbonden en goed onderwijs en daardoor duur personeel.

Op vrije en in toenemende mate internationale markten het van oudst probleem van zo goedkoop mogelijke arbeid. In vele eeuwen met nog een zich zelf bedruipende stand van kleine boeren en door gilden beschermde ambachtslieden in voorzien door slaven. Tot door de privatisering van het gemene land, zoals in Engeland de ‘commens’, voor de industrie die de gilden elimineerden legers van bezitsloze families ontstonden die genoodzaakt werden hun arbeidspotentieel, vooral ook kinderen op de arbeidsmarkten aan te bieden.

Het feodalisme en het kapitalisme dat een proletariaat organiseerde en daarmee de krachten voor revolutie, criminaliteit, terreur. In democratieën opgevangen door het mede een stem te geven en met onderwijs ze tot burgers te maken en perspectieven te geven tot op de regerende en heersende elite. Met inmiddels weer een economie die proletariaat organiseert door slecht onderwijs en extremen op de arbeidsmarkt. Zich wederom vertalend in opstand en revolutie met voorgangers van daarop richtende meesters.

 

Het perspectief van ‘alles al hebben’, het heel veel duurzaam bezitten, dat van een basisinkomen gestoeld op een bezit voor iedereen. Door mensen met heel veel geld inmiddels voor zichzelf en hun kinderen al gerealiseerd, door pensioenfondsen voor veel ouderen. Met als huidig probleem het verhaal van Piketty, dat steeds minder mensen steeds meer bezitten en steeds meer steeds minder. De monopolisering van bezit dat binnensteden voor velen te duur maakt en de hoger opgeleiden afromen.

Bezinning op een nieuw paradigma voor dit eens ‘alles al hebben’, de in potentie mogelijke almaar groeiende erfenis over de generaties heen. In de moderne industrielanden met steeds meer het karakter van gezamenlijk gerealiseerd, het eigendom van ieders arbeid naar het verhaal van Robert Nozick. Eerlijk en rechtvaardige verdeling van die almaar toenemende erfenis. Die zien te vertalen in een basisinkomen voor iedereen. Een bezinning ook op privé- en gezamenlijk bezitten.  Door filosofen als More en Stuart Mill al ingeleid na het elimineren van de ‘commens’ in Engeland, het begin van de obsessie alles te moeten privatiseren, bepleit ook in de VS door  Naomi Klein.

 

Essentieel voor elke evolutie is energie, voor de natuur die van de zon, voor die door ons heen met de industrialisatie die van wat de zon heeft gespaard in de fossiele brandstoffen. Die bij verbruik het klimaat bedreigen met het vrijkomen van het daarin opgeslagen CO2. Met als probleem dat op de vrije markt voor energie alternatieve energiewinning met windmolens zonnepanelen, biomassa maar ook waterkracht en kernenergie overheidssteun en –beleid vereist.

Kernenergie biedt een CO2 vrije  oplossing. Riskant, maar in vergelijking de fossiele brandstoffen met aanzien minder kwalijke gevolgen. Smok en fijnstof zijn inmiddels goed voor jaarlijks tientallen miljoenen doden. Moderne technieken maken kerncentrales steeds veiliger, makkelijk aan en uit te zetten, met afval in orde van grootte enkele kubieke meters en steeds kortere gevaarlijk radioactief. Een wereld met alleen kerncentrales zou veel minder riskant en gezonder zijn.

Het heelal draait op kernfusie in z’n vele zonnen. De aarde misschien eens ook. De ontwikkeling daarvan kost miljarden en vele decennia en is eveneens overheidsbeleid, inmiddels internationaal georganiseerd. Lukt het dan wordt dat de meeste duurzame oplossing met grondstoffen tot aan het einde van onze tijd en overal beschikbaar. Kernenergie is bij uitstek een collectief gebeuren en kan bij een democratisch beleid een grote bijdrage leveren aan het basisinkomen van iedereen.

 

De evolutie stemt elk leven af op het aanbod van voedsel door z’n leefomgeving. We zijn doende met wat planten en dieren kunnen in chemische fabrieken na te bootsen. Boter hebben we al vervangen door chemische smeersels, volgens reclame veel beter en gezonder dan boter, door toevoegingen en verpakkingen verleidelijk smakelijk gemaakt. Nog even en dit verhaal geldt ook voor de eiwitten van vlees, eieren, vis. Komen we uit op een uiterst duurzame voedselvoorziening, met kringlopen van voeding en water, licht van zonnepanelen, warmte vanuit warme aardlagen. Nu al voor groente, fruit, bloemen in kassen, die weldra gestapeld in flat en op daken in de steden, dicht bij vele eters die dat kunnen betalen en gezond willen leven. Eten uit de fabriek, in verpakkingen leuk en als lekker gepresenteerd en met wijs beleid ook heel verantwoord. In feite nu al het aanbod in supermarkten. Tevens gunstig als we naar de negen miljard willen.

De evolutie van voedsel van akkers naar de fabrieken maken ze vrij voor natuur. Rond de megasteden ter verpozing, voor een huisje buiten met een tuintje voor eigen kweeksels, zelf naar eigen zin en zaligheid gezond doen. Onze voorfamilies niet meer hoeven te deformeren tot melk- ei- vleesapparaten. Die weer vrij naar eigen aard laten leven in natuurlijke landschappen. Met roofdieren voor de nodige balans of menselijke afschot voor incidenteel de luxe van natuurlijke producten.  

 

De mens is uitgekomen op één soort naar één principe van DNA, alle andere pogingen daartoe zijn geëlimineerd of daarin verwerkt. De Floresmens, beduidend kleiner, is het niet geworden. Had wel gescheeld in de omvang van onze materiële verlenging. Een winnende soort dus, met wel weer de aanleg voor soort zoekt soort, het zich willen onderscheiden naar het unieke kenmerken. Naar uiterlijke verschillen zoals in kleur omdat de aarde rond is en daardoor verschillen in zonneschijn, allemaal dezelfde neus door inteelt. Met variaties in intellectueel niveaus naar de normaalverdeling, de klokvorm. Rond tachtig procent normaal, van voldoende tot goed, en met aan de aflopende randen van de klok het abnormale, het betere en het mindere, van geniaal tot zwakbegaafd, het van het normale afwijkende. Het in de evolutie soms toevallige winnaar bij gewijzigde omstandigheden. In de geschiedenis de namen van verdienstelijk tot verderfelijk.

Een soort bezien de vele anderen nog slechts aan het begin van z’n evolutie. In de fase van afronding van z’n evolutie van het materiële, z’n materiële verlenging. Nog vooral nog in de ban van maken en innoveren. Op zoek naar de mens als het eerste zingevend moment in de evolutie op onze planeet, de piano niet alleen te maken maar ook te bespelen.

 

De politiek aan zet.

 

‘Samenlevingen zijn gebaseerd op de productie van goederen en diensten, vereisen een systeem van ordelijke distributie voor z’n zelfvoorziening’.  Robert Heilbroner, (1918-2005). Een sociale orde veilig gesteld door disciplinering naar overeengekomen gedragsregels. En dan ook nakomen wat samen is afgesproken. Eeuwenoud het uitgangspunt voor heerlijkheden, steden, naties met ruilhandel van producten en diensten. Verstoord door de opkomst van het kapitalisme met markten en concurrentie van producten en arbeid. Met voor velen verlies van het recht op overleven door het ieder voor zich en het wegvallen van wederkerigheid, het begin van een langdurige oorlog zowel daartegen als voor het behoud daarvan. Een Amerikaans econoom met een sombere kijk op deze huidige onorde en een geloof in een betere, wel met behoud van het kapitalisme. We zijn op weg en moeten op weg naar nieuwe wegen, proberen die te vinden. 

 

 Ivan Illich. (1926). ‘De gemeenschap versplintert tot losse individuen afhankelijk van arbeidsmarkten en persoonlijke mogelijkheden, toevallige posities, de plek waar men geboren wordt’. Hij bekritiseerde het ongebreidelde geloof in maakbaarheid met z’n tendensen naar grootschaligheid, pleitte voor de menselijke maat, het ‘small is beautiful’. Door de kleinschaligheidsdenker Ernst Friedrich Schumacher gezocht in milieubewegingen als de ‘Kleine Aarde’ en tegenbewegingen op zoek naar die betere wegen, andere afslagen, de meer menselijke schaal. De kleine boer voor biologisch verantwoorde voedsel. De kunstenaarskolonie voor mensen die daar net van weten te leven. Maar ook het dorp en de villawijk die klein willen blijven en daarmee alleen voor een financiële elite, het klein zijn van nog veel regio’s dat veroordeelt tot net overleven en zo nu en dan hongersnood.

 

Naomi Klein (1970) pleit voor herstel van het traditioneel collectieve, het herstel van de ‘commons’ als gezamenlijke leefruimte, ecosysteem voor ieders leven. De erfenis over vele generaties heen, de verworvenheden van die evolutie door ons heen, voor een groot deel gezamenlijk gerealiseerd, die dan ook gezamenlijk vererven. Aan de politiek om deze erfenis nader te specificeren en tot gemene zaak, ieders bezit te maken. Het onroerende voor wonen, werken en winkelen met steeds meer een openbaar en gezamenlijk karakter, dat in de zich vervolmakende steden steeds duurzamer wordt, dat niet laten monopoliseren maar tot gezamenlijk erfgoed maken. De eens voor elk leven vrije steppen door ons heen geëvolueerd tot steden weer tot gemene zaken. Ook al het gezamenlijk gerealiseerd weten, kennen en kunnen, nu door multinationals vaak ontrokken aan die iedereen toekomende erfenis. De grondslagen voor industrialisering, internet, medische zorg, medicijnen, die geprivatiseerd en met patenten gemonopoliseerd resulteren het veel te veel voor enkelen. De atmosfeer en water, essentiële çommens’, die vrijelijk zijn te verontreinigt. De monopolisering van grondstoffen, het auteursrecht op zaden, op leven. ‘Commens’ die verloren gingen met de religie van de privatisering.

 

De tragedie van de ‘commons’,  De ecoloog Garrett James Hardin (1915). ‘Op de gemene weide zal iedereen proberen zoveel mogelijk dieren te laten grazen, tot dat z’n draagkracht is bereikt. Zie de uitputting van graslanden tot op verstuiving in Amerika, het ontstaan van de grote woestijnen in Mongolië. Het nog resterende collectieve, de zeeën, oerbossen, natuurgebieden dat zo ten gronde gaat’. Hij maakte zich grote zorgen over de overbevolking, het onbeperkt eenzijdig bezig zijn met overleven. ‘Je kunt niet slechts één ding doen’. Een wereld met steeds meer mensen wordt geen betere, ze vergiftigt daarmee slechts de aarde, de wereld heeft een mensgrensdraagvermogen. Ontwikkelingshulp zag hij als een bedreiging. Moeder aarde moest z’n zelfreinigend vermogen behouden.

 

Traditioneel is het ‘gemene’ een morele beleving van een groep. Marcel Mauss (1954).  Daarbij behoren ook het accepteren van giften en het onderhouden van goede relaties. Het naborschap in dorpsgemeenschappen, het idee van mantelzorg, de uitwisseling van geschenken  met sinterklaas, bij huwelijken, ontvangsten. Alle bedoeld om de groep bij elkaar te houden. Wie niet geeft wie niet leeft. Manifest in de vele clubs, verenigingen, vriendenkringen, gezamenlijke vieringen als carnaval, vuurwerk met oud en nieuw. Ideeën ook van Claude Lévi-Strauss.

Een instelling haaks op die van het neoliberalisme, van het ‘op mijn leven en mijn liefde ervoor zweer ik dat  ik nooit zal leven ten behoeve van een ander mens, noch dat ik dat iemand anders voor mij zal vragen’. Ayn Rand in een van haar boeken.

 

De ruilhandel via geld, het alles en iedereen vertalen in geld. Eens gewantrouwd door de kerk vanuit hun verbod op begeerte en daarmee op winstbejag, later verzacht met de introductie van het afkopen met missen en aflaten. Franse adel was z’n titel kwijt als ze zich in de handel begaf, inmiddels graag in dienst bij banken voor een schijn van edel handelen. Gilden mochten geen reclame maken, alleen verkopen tegen een rechtvaardige prijs, een begrip al van Aristoteles. Die als eerste de gevolgen voor de economie van ruilhandel door had, die al het kapitalisme zag ontstaan, daarop reageerde met zijn ethiek van streven naar een goed en deugdzaam leven, met daarbij het materiële als middel maar niet als doel, en zeker niet om bij transacties zo veel mogelijk winsten te maken. De jacht op almaar meer, bezitsverweving,  kapitaal, het geld met geld maken.

 

Een radicale breuk in de economie werd de introductie van het ‘laissez faire’, van het laat de handel gewoon z’n gang gaan, de menselijke natuur zich vrij kunnen ontplooien , dan ook vrij van iedere menselijke ordening, moraal, elk filosofisch beleren. De markt als een natuurlijk gegeven en dus naar onze genen, de filosofie van Adam Smith en Friedrich von Hayek. De rechtvaardige prijs werd de marktprijs. Daardoor bleken heel veel mensen nauwelijks iets waard. In de antieke wereld was arbeid voor slaven, in de feodale voor de beschermde onderdanen in het ‘gemene’ gezamenlijk bezig. In de utopie van Thomas More moest iedereen zijn bijdrage leveren. Met het neoliberalisme bepaalde de markt de waarde en de zin van arbeid en moest die concurreren met machines en automaten.

 

Arbeid creëert welvaart en rijkdom, maakt woeste gronden voor de mens bruikbaar, delft grondstoffen voor wat we nodig hebben. Arbeid  maakt wat we wat we nodig hebben en is voor alles prijsbepalend. Alleen arbeid geeft het gemene materiële z’n waarde en schept zo eigendommen. De dan ook die arbeid toekomen. De motivering van het persoonlijke en daarmee privébezit van John Locke.  ‘Alles wat de mens met arbeid ontrekt aan z’n natuurlijke toestand wordt persoonlijk eigendom’. 

Dit verhaal werd tevens de rechtvaardiging van kolonisatie van gebieden waarin de mens zich beperkte tot het natuurlijke, daar niets mee deed en dus de ontwikkeling van welvaart en rijkdom in de weg stond. Voor gemeenschapsgronden, de ‘commens’ hetzelfde verhaal, ze waren en bleven naar hun tradities en stonden zo elke ontwikkeling in de weg, ze waren verzand in voltooid verledens. Het verjagen van de indianen van hun gezamenlijke jachtvelden was daarmee ook moreel te verantwoorden. Het zich toe-eigenen van nutteloos besteed goud en zilver in Zuid Amerika een economisch verantwoord handelen. Het verjagen van kleine boeren van hun akkers voor grootschalige landbouw of winning van delfstoffen, ze komen nog steeds de economie ten goede. Wat woest, leeg, verwaarloosd  is maakt noeste arbeid tot zinvol en persoonlijk eigendom.

De moraal van de profiteurs van de ontwikkelingen in de maatschappij, het zich ontwikkelende kapitalisme dat met steun van overheden zich ontwikkelde tot een oorlogskapitalisme. Sven Beckert. Dat tevens zich het  persoonlijk eigendom van de arbeid toe-eigent. Alles wat de mens met kapitaal ontrekt aan z’n natuurlijke toestand wordt z’n persoonlijk eigendom.

 

 Aristoletes beschouwde oorlog en veroveringen een verantwoord middel voor het verkrijgen van bezit. Met arbeid bezit verwerven was in zijn tijd nog een absurde gedachte. Arbeid, van vooral slaven, was gewoon voor wat men nodig had. De handel in land naar geboorte was daarmee ook verbonden strikt verboden. Land verkreeg je met de speer en het zwaard. In het feodale was arbeid een onderdeel van de overeenkomst van onderdanen met beschermende landheren en normstellende kerken. Hun land was een onaantastbare heerlijkheid, net als nu het grondgebied van naties, waarvoor belasting moest worden  betaald. Het neoliberalisme maakte van deze heerlijkheid onaantastbaar privébezit, in sommige landen tot op het middelpunt van de aarde.

 

Met de handel in land en arbeid veranderde het moreel van samenlevingen drastisch. Mensen werden gereduceerd tot arbeidskrachten en de natuur tot privé-eigendommen. Karl Polayi. (1886-1964). Het economisch systeem eens gebaseerd op sociaal maatschappelijke relaties vernietigde het kapitalisme met z’n marktsysteem van vraag en aanbod, waarin alleen nog het geld telde en alles daarin werd vertaald, inclusief de mens en de natuur. Zijn ideaal was weer terug naar wat van dat oude met z’n accenten op herverdeling en wederkerigheid. Hij verdiepte zich in de oudheid en wist dat de huidige economie toen heel anders was, dat prijzen van producten eens vooral bepaald werden op lokale markten naar cultuur, religie en status, sociale relaties. Hoe anders had hij nog niet helder voor de geest. In feite het actuele probleem van de huidige economen.

 

Adam Smith wordt gezien als de grondlegger van het klassiek liberalisme.‘Met heel heilzame ideeën over concurrentie, de vrije markt.’ aldus Alan Greenspan (1987- 2006), bewaker van het banksysteem van de VS en sterk beïnvloed door Ayan Rand, haar de mens is van nature genetisch zelfzuchtig en moet dat mogen. De hebzucht die een natuurlijke kracht verwekt in de samenleving die iedereen ten goede komt en dus goed is. Een streven dat iedereen richt op wat anderen nodig hebben, gefocust op het dienen van zichzelf met producties voor de gezamenlijk markt. Vanuit een onzichtbare door de mens heen werkende kracht, een hogere macht, een mechanisme de mens ingebakken.  Laat die kracht dus vrij z’n heilzame werk doen, dan ook vrij van overheidsbemoeienissen. Adam Smith zag voor de staat wel een duidelijke taak, die van het regelen en bewaken van die vrije zelfzuchtige individuele krachten met een defensie en rechtspraak.  De vrijheid van de een mocht nooit die van een ander in gevaar brengen. Tevens bepleitte hij al streng toezicht op banken, snel geneigd tot gesjoemel met geld. In zijn samenleving was een beroep op medelijden alleen iets voor bedelaars.

 

Met handel inmiddels hoog geëerd en gecombineerd met het vele technisch mogelijke ontstonden enorme bronnen voor welvaart en rijkdom, vooral voor de klassen met geld. ‘De zoete handel die goed is voor de relaties tussen mensen en naties’. Montesquieu. Ook voor de kerk waren handel en kredietverlening al lang geen doodzonden meer, werden ze eveneens gezien als de van hoger hand geschonken noodzakelijke aanjagers van een economie, door concurrentie rechtvaardig gestuurd naar het gezamenlijk belang. Met wel als voorwaarde die concurrentie, dat op de markt de klant koning bleef, het eigenbelang geen monopolies en bedrog nastreefde. De opgave aan de staat om daarop toe te zien, de economie eerlijk te houden, nog steeds.

 

 ‘Het grootste geluk voor het grootst aantal mensen’, Jeremy Bentam (1784-1832) . Zijn doelstelling voor de economie. De mens kent twee meesters die het leven beheersen, pijn en genot. Tracht het eerste te vermijden en het tweede te bereiken. De introductie van het utiliteitsprincipe voor economisch handelen. Het utilisme dat het geluk probeert uit te rekenen door alle mensen te controleren, te bewaken, te bestuderen, naar bevindingen te disciplineren, te corrigeren, te verbeteren, geluk en pijn vertaald in geld in kasboeken met balansen die op winst moeten uitkomen. De totale transparantie als van de ronde gevangenis met alle open celdeuren gericht op de centrale alles overziende  hal, te overzien en te beheersen door maar een paar bewakers van de macht. De utopie van opvoeding en disciplinering van een samenleving om zoveel mogelijk pijn vermijden en geluk te verwerven, die ontaardt in de nachtmerrie van ‘de grote baas ziet alles’, met niemand meer geheimen, camera’s die continu meekijken, internet dat alles van je weet. Dank zij de onstuimige opmars van wetenschappen en technieken tot op alle denkbare uitersten en eenhoorns mogelijk. Die constant dwingen tot nieuwe filosofieën van wat daarmee te doen en na te laten. Met een mes kun je snijden en moorden, innovaties maken én breken af.

 

In de antieke wereld was de mens - de man - geboren op z’n land en voorzien van vrouwen en slaven voor het werk met de nodige gereedschappen, zelfvoorzienend, een economische eenheid, die eventuele overschotten verhandelde. In de moderne wereld zijn mannen en vrouwen onderdeel van organisaties voor de productie van al het gezamenlijk nodige. In deze organisaties, matrices met verbanden in vele richtingen, voegt de mens middelen aan zich toe en wordt die daaraan toegevoegd. Daarin is de mens zowel materieel verlengd als materiële verlenging van anderen. Beleving van materieel verlengd of materiële verlenging is naar de mate van het eigen belang of dat van die anderen weten te dienen. Sociaal verantwoord werken en leuk verdienen in een goed gerund bedrijf of asociaal uitgebuit worden in een atelier. Het kapitalisme dat de mens maakt tot materiële verlenging van andermans bezit en beroofd van z’n de opbrengst van z’n arbeid. Het kapitalisme dat zorgt voor werk voor iedereen en dat steeds beter beloond. Door de globalisering inmiddels politiek een mondiaal vraagstuk.

 

Kapitalisme, het economisch systeem waarin met geld handel wordt bedreven en productie georganiseerd. Begonnen met de kooplieden, mensen met geld, die daarmee producten kochten van boeren en ambachtslieden en transporten organiseerden naar markten waar daarmee geld was te verdienen. De zijderoute die de zijde uit China bracht naar Europa. De zeevaartnaties die met oorlogsschepen producten haalden uit het verre oosten. Ondernemers  die geld investeerden in fabrieken voor industriële producties. Kapitaal dat in toenemende mate wordt besteedt aan middelen om bedrijven te automatiseren en robotiseren om dom en eentonig werk uit te bannen. Het kapitalisme, dat dus in hoge mate heeft bijgedragen aan de welvaart en het welzijn van velen. Private vermogens leiden tot onttrekking van geld aan de kringloop van de ruilhandel door verzanding in veel te veel. Het feodalisme van het kapitalisme. De oplossing? Iedereen even rijk naar van Kooten en de Bie, sparen voor later, met pensioenfondsen voor de oude dag, belastingen die herverdelen, uiteindelijk eens de door het kapitalisme ontstane erfenis over generaties heen beter verdelen. De erkenning dat het rendement op geld primair toekomt aan de arbeid die ze realiseert en niet alleen aan de bezitters ervan. 

 

Moderne ondernemen: - innovatie en design in op het product gespecialiseerde concentraties van kennis - presentatie en verkoop in worldtradecentra en op internet -  productie in daarop gespecialiseerde en goedkope regio’s - afrekenen in de fiscaal gunstigste landen.  Een ondernemen dat zich makkelijk onttrekt aan de regelgeving van naties, die zelf kan stellen, met als enige inspraak die van afnemers, met internet de hele wereld tot markt heeft, dat bij succes kan leiden tot extreme winsten en daarmee grote individuele vermogens buiten de nationale gemeenschappen die ze mogelijk maken. Het verhaal van de globalisering en dat van Piketty, de wereldwijd een paar procent met steeds meer. De enorme stimulans voor de wereldeconomie met volop kansen voor landen in ontwikkeling, die het willen maken. Maar ook met het probleem van het in de economische kringloop houden van dat teveel van enkelen voor rekening van tekorten van steeds meer mensen.

 

Een ondernemen waarin landelijke overheden een bepalende rol spelen, die concentraties van kennis en daarmee innovatie bevorderen door goed onderwijs, dit onderwijs beperken tot de klasse die daarvan rijk wordt, die zich concentreren op de daarvoor genodigde geldmanipulaties, die veilige havens bieden voor gemaakte rendementen, de belastingparadijzen. De naties die arbeid goedkoop maken en houden en daarmee producties naar zich trekken. Die daardoor uiterst goedkoop zijn, met hun prijzen aantonen dat die arbeid nauwelijks beloont wordt.

Met als resultaat de globalisering van de economie met niet alleen positieve maar ook veel negatieve aspecten, vooral voor de welvaartslanden. Die daarop reageren met beschermende maatregelen en subsidies voor hun eigen economie en politiek problemen krijgen met de onderklassen die ze het meest incasseren. De antiglobalisering , het eigen volk eerst en veilig ommuurd. Terwijl de enige oplossing is globalisering van al het nationale overheidsbeleid dat er voor bepalend is, er voor zorgen dat ze niet meer speelbal zijn maar samen het spel spelen.  

 

Een ondernemen bij de gratie van innovatie en het vinden van markten die dat voor een betreffend product beleven, de exportmarkten voor die producerende regio’s. Dat voor alle producten eens uitkomt op einde verhaal voor die innovatie en daarmee marginale winsten en streven naar zo laag mogelijke loonkosten. Het product dat niet wezenlijk meer weet te vernieuwen en van steeds betere kwaliteit steeds langer mee gaat en alleen nog een vervangingmarkt heeft. De ledlamp die eindeloos mee gaat en we dan ook nauwelijks nog hoeven te vervangen. De voedselindustrie die almaar hetzelfde als iets nieuws probeert te brengen. De varkensboeren die net niet failliet gaan. De op zich onmisbare staalindustrie die geen interessante belegging meer is. De multinationals die zich gedwongen zien tot bezuiniging door schaalvergroting, minimalisering van de arbeidskosten, uitwijken naar ontwikkelingslanden, met robots, en met alleen aan de top nog leuk verdienen, zolang ze niet failliet gaan of zelf worden opgekocht. De actuele thematiek van de internationale economie, alleen internationaal aan te pakken en op te lossen. In de VS door een zich daartoe formerende miljardairs. In Europa door landen die steeds minder Europa willen.

 

 Crises bewezen het vrije marktprincipe als niet alleen de ideale oplossing, dat geregeld overheidsingrijpen mede noodzakelijk was om uit zo’n impasse te komen. De economie is niet zelfregulerend, het inzicht dat Maynard Keynes (1883 -1946) poneerde en tot op heden van kracht. Bij een dip neemt ook de werkloosheid enorm toe, daarmee de koopkracht af en komen bedrijven uit verlies en faillissement. De uitzichtloze crisisjaren van de dertiger jaren van de vorige eeuw met z’n enorme werkloosheid. Toen bleek dat die onzichtbare hand van Adam Smith het liet afweten en solidariteit zich beperkte tot stempelen voor steun. In 2007 werd de rationeel statistische kans op een crisis berekend op eens in de1040  jaren.  Een jaar later werd bewezen dat economie geen natuurwetenschap is maar een morele wetenschap.

Om dergelijke stagnaties te doorbreken bepleitte Keyens investeringen in de publieke sector door de overheid met geleend geld, in betere tijden weer af te lossen. Werkloosheid met lage lonen komt bedrijven wel ten goede maar niet de markten waarvoor ze produceren. Daardoor stagneren afzetten en blijven investeringen uit, implodeert het systeem. Investeringen van de overheid kunnen dat doorbreken met het scheppen van meer werkgelegenheid en daarmee creëren van koopkracht. Dus verlaging van belasting vooral als het slecht gaat, en daarvoor sparen als het goed gaat. Een beproefd recept voor ingrepen bij het falen van economieën. De New Deal van president Roosenvelt was naar een advies van Keynes. De Wereldbank en Het Internationaal Monetair Fonds zijn naar zijn verhaal.

 

Tot het door een al te overdadig ingrijpen van en ondersteunen door de overheid het toch weer mis ging, en fervente tegenstanders hiervan hun gelijk kregen, met als voorman Freidrich von Hayek (1899 -1992) en volgelingen als Ayn Rand, Milton Friedman en Greenspan. De vrije markt moest en zou het weer helemaal moeten doen en elk overheidsingrijpen was een misdaad tegen de samenleving. Weg met alle obstakels voor een echt vrije groei, opdat de zelfregulering van de hebzucht z’n heilzame werking kon bewijzen. Was wel in een periode waarin innovatief vermogen schier eindeloze perspectieven schetste, met chips, internet, DNA – engineering, en daarmee de economie een enorme oppepper gaf. Het neoliberalisme als ideologie, alle hulde voor generaal Pinochet die dat in Chili ging waarmaken, de instortende Oostbloklanden die falend overheidsdirigisme hadden bewezen en leidend tot dictatuur.

 

Het eerste laboratorium voor een echte beproeving van een utopie was dat van het communisme. Die van het noodwendig breken van eieren om een omelet te bakken, van het doel heiligt de middelen, het offeren van al het oude voor het gewaand betere. De ideologie van het neoliberalisme bewees z’n falen met de rekening van duizend miljard van de financiële crisis in 2008.

 

Milton Friedman (1912-2006), de voornaamste bepleiter van de vrije markt na de afgang van de Oost-Europese planeconomieën. Met ook weer dat van eieren moeten breken, een harde politiek van deregulering en privatisering. Inspiratie voor Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Met ook aansprekende ideeën, zoals een budget voor onderwijs voor ieder kind, maar wel alleen op particuliere scholen. Voor alle mensen met een inkomen beneden een bepaald niveau een negatieve belasting als basisinkomen. De onderstreping dat economische vrijheid ook leidt tot politieke vrijheid, dat geld gelukkig maakt en iedereen gelukkig dient te maken. Maar toch weer een utopie, die vele kwalijke middelen heiligde, zoals staatsinterventies om die waar te maken. Het daartoe opleiden van Chileense studenten en acties van de CIA in Chili tegen het socialisme van Allende, schoktherapieën in de geest van Lenin en Stalin. Spinoza had drama’s als deze al voorspeld met z’n ‘fundamenteel geloof in een ideologie dat bestudering en beschouwing van de samenleving in de weg staat’.

 

‘Ben bijzonder geschokt, kan het haast niet geloven. Er moet een fout zitten in onze overtuiging dat de vrije markt zichzelf beter reguleren dan enige overheid’.  De getuigenis van Alan Greenspan voor een commissie van het congres in 2008 naar aanleiding van de kredietcrisis. Greenspan, een bewonderaar en ondersteuner van de filosofie van Ayn Rand, die van het objectivisme en het fundament van het neoliberalisme in de VS. Naar het omgekeerde idee van Kant dat altruïsme een deugd is en zelfzucht een kwaad. ‘Door alle eeuwen heen zijn het de Atlassen, de elitaire vrije en creatieve geesten, die de lasten moeten torsen voor het overleven van de mensheid. Aan ons de taak ze daarvan te bevrijden, opdat ze vrij mogen zijn in waar ze goed in zijn. In feite weer een verhaal van maakbaarheid van de maatschappij, nu door vrije marktmechanismen, en daarmee ook een totalitaire samenleving, die van de totale vrijheid van een aantal Atlassen.

 

De liberale maatschappij als grote uitdager van de ideologieën van het communisme en het fascisme. Van vrije initiatieven en marktmechanismen om ze te redigeren. In toenemende mate de basis van de mondiale economieën. In de vrije westerse met een accent mede op democratie en mensenrechten. De politieke visie die zich in 1989 met ‘The end of history’ van Francis Fukuyama (1952)als winnaar uitriep van de strijd met die concurrerende ideologieën. De mondiale zegetocht van het westers kapitalisme. Het einde van de geschiedenis, de volmaakte wereld, en wat daarna nog te beleven? Het verhaal van Hegel.

 

Een wetenschappelijk technisch denkpatroon, van volmaaktheid voor alles wat we rationeel beheersen. Het verhaal van de winnende bedrijven met kwaliteitsproducties.  Dat verhaal dan ook toe te passen voor economie en politiek, en daarmee op weg naar hun einde van hun verhaal!? In feite dan de wereld alleen naar de natuurwetten en daartoe beperkt en dan ook de mens naar die wetten, alleen naar z’n genen en weg met ideeën over een zuivere rede. Alles en iedereen naar een noodwendig natuurprincipe met eindeloos veel variaties maar niet meer te evolueren.

Daarmee de ontkenning van de mens als kantelpunt in de evolutie naar die natuurwetten naar het verhaal van Kant over de autonome mens met het vermogen van de zuivere rede en daarmee bevrijd van die noodwendigheid van de natuurwetten. De mens als moment van bewustwording in en daarmee zingeving aan die evolutie. De grondslag van het positief liberale gedachtegoed waarin is geen plaats voor een blauwdruk voor een heilstaat. Maar wel voor een steeds beter gebaseerd op meer weten en ervaren en daarnaar gezamenlijk moreel handelen. Gestoeld op vrijheid en transparantie, willen en in staat zijn tot innoveren en nemen van initiatieven, ook als het bestaande daarvoor moet wijken. Geen einde verhaal dus en economie en politiek niet naar natuurwetten maar naar menselijke moraal, naar het ideaal van de zuivere rede van de autonome mens. Kant wordt gerekend onder de idealisten. De classificatie van ook veel liberalen.

 

Maar ook onder die van de realisten, de autonome mens wel te bezien als onderdeel van een groep en daarmee naar diens cultuur, tradities, instituties, riten, naar wat men wel en niet verteld krijgt. Friedrich August Hayek (1899- 1992).  De opkomst en ondergang van het communisme maakte hem tot een vurig bepleiter van het liberalisme, de vrije samenleving die hij in zijn jeugd in het multiculturele Wenen had beleefd en leren waarderen. In 1931 vluchtte hij voor het fascisme naar Engeland, voor het gevaar van deze geleide samenleving en economie, een soort kapitalistisch socialisme. ‘Socialisme, de weg naar horigheid, het van nature unieke en daarmee altijd anders zijn van mensen dwingen tot gelijk zijn’. Sociale politiek en geleide economieën onderdrukten persoonlijke vrijheden, sociale rechtvaardigheid leidde automatisch tot discriminatie en privileges, tot samenzweringen van georganiseerde belangen, politici gebakken op hun pluche. ‘Daarom de maatschap baseren op de daarin aanwezige spontane zelfregulering, met wel een democratisch overeengekomen rechtssysteem’. ‘Democratie als grondslag van samenlevingen en het marktmechanisme als de spil van de economie. Die immers producties volmaakt afstemmen op wat mensen willen en de prijs laten bepalen naar wat de markt er voor over heeft’. Een mechanisme dat zo mede beslist over de waarde van vakbekwaamheid, over wat de arbeid van mensen waard is.

Het idee van de zuivere rede, het rationalisme, als middel om te komen tot die afstemming, om de natuurlijke instincten te beheersing, zag hij als de fatale hoogmoed van veel denkers in zijn tijd. ‘Ieders werkelijkheid ent zich op de culturele verworvenheid van de samenleving, de klasse waarvan men deel uit maakt’. Particulier bezit maakte mensen vrij, verloste de mens van de druk en dwang van zo’n groep.

 

Privé bezit dat tevens leidde tot groepsvervorming en daarmee tot groepsdwang en het soort zoekt soort, tot democratie van het unieke belang en het korte termijn denken. Bas van Havel, hoogleraar sociale en economische geschiedenis in een NRC van oktober 2016. ‘De vrije markt op weg naar z’n ondergang’. Over de naoorlogse vrij grote gelijkheid waarvan weinig is overgebleven en waardoor een groot deel van de bevolking z’n politieke en economische  vrijheid is kwijtgeraakt. Het ‘a priori’ van het marktmechanisme als enig legitiem middel om de economie te ordenen. Zonder enig bewijs de grondslag van de Europese Unie. Die iedere concurrentiebeperking verbiedt en eist al het coöperatieve te verkopen aan de vrije markt. Waardoor veel familiebedrijven en boerenbezit zullen verdwijnen. Een vrije markt wel voor producten en arbeid maar niet voor grond, onroerend goed, kapitaal. De middelen door de profiterende elites steeds meer benut als investering en belegging, opgepotte rijdom die zich onttrekt aan de vrije handel en vooral uit is om geld met geld te verdienen. Een elite met daardoor ook steeds meer economische en politieke macht, die media opkopen en daarmee de publieke opinie. De elite in Spanje die na de ontdekking van Amerika rijk werd van het goud en zilver en de lokale economie liet verpauperen. In de zestiende eeuw in Nederland toen rijke stedelingen polders drooglegden en gronden aankochten om te verpachtten, hun te veel geld renderend maakten met kredieten, waardoor ook de economie stagneerde, de reële lonen van arbeiders zelfs lager waren dan in de twaalfde eeuw. Het sinds de jaren 60 stagneren van de lonen in de VS en de vermogensongelijkheid inmiddels een record. Het verhaal van Piketty. In Nederland de loonsverhogingen op nul, met flexwerk de pensionen omlaag, de beloningen aan de top naar almaar extremer. De extreem rijke clans in olielanden die hun onderdanen in toom houden met fundamentalistische religies. ‘We staan voor een kantelpunt in de economie en aan de oplossing daarvan zal de nu nog profiterende elite niet meewerken’. De aantasting van de democratie door populisme gebaseerd op de onrust en de angst in samenlevingen. Het overal inmiddels andere geluid en de kantelingen in de democratieën.

 

De zuivere rede vertroebeld door angsten en onzekerheden voor overleven. Het maatschappelijk vallen, net als de appel, noodwendig. Terwijl er mogelijkheden zijn dat te vermijden, we bijvoorbeeld kunnen vliegen, dank zij ons vermogen tot nadenken, een rechtvaardige politiek te bedenken met de juiste moraal. Rechtvaardigheid die daarbij niet alleen te maken heeft met de individuele mens maar ook met de samenleving, met de claims van mensen en op de mens. Een rechtmatige verdeling van de verworvenheden van een samenleving, een eerlijke vererving daarvan over de generaties heen. De landen waarin de opbrengsten van delfstoffen gezamenlijk zijn, bezit steeds meer een recht is op gebruik onder bepaalde voorwaarden, de voornaamste verdiensten worden verkregen door arbeid. 

 

Het rationalisme wel zien te benaderen, Karl Popper, (1902-1994),  eveneens in geboren in Wenen en waarnemer van veel ideologisch fundamenteel denken aldaar. En daarbij door kreeg dat al die verhalen, dat alle waarheden te falsificeren waren. Een centrale waarheid van de wetenschap, voor hem al geïntroduceerd door Einstein met ‘een theorie verbiedt tevens bepaalde verschijnselen. Vindt je die dan klopt die theorie dus niet’. De maatschappij moet altijd open staan voor nieuwe waarheden, ideeen, innovaties. ‘The open society’. Alle kennis is voorlopig. Elke theorie is een trial die kan leiden tot error, op te lossen met een nieuwe trial. Het verhaal van Hegels these, antithese, maar nu zonder een finale synthese. Er bestaan geen ultieme waarheden, geen onfeilbare autoriteiten,.

Politiek is vooral een zaak van problemen stellen en oplossen met die methode van ‘trial and error’. Nieuw beleid uitproberen en op resultaten beoordelen, en zo zien te komen tot progressie. Niet om mensen steeds gelukkiger te maken maar om bestaand ongeluk te verkleinen. Dit lukt alleen in een open democratische samenleving. Is altijd een proces van geleidelijkheid en met vallen en weer opstaan. De tirannie van meerderheden belet dat weer opstaan, revoluties vernietigen het reeds bereikte, oorlogen betekenen totale kaalslag. De obsessie voor het incidentele en de negatie van het continue.

In dit proces heeft de overheid een belangrijke functie. Een laissez faire kapitalisme leidt tot grote ongelijkheid en dus problemen die om een oplossing vragen. Vrijheid van markten en initiatieven zijn alleen mogelijk als overheden die vrijheid regelem en garanderen. Unieke belangen kunnen oplossingen in de weg staan. ‘Vervanging van kolen door aardgas maakt overheidsingrijpen gewenst’. Joop den Uil. De politiek van met een zich geleidelijk ontwikkelend verhaal maar met soms radicale uitkomsten. Niet te voorspellen en daarom een verwerping van de onverbiddelijke wetten van Plato, Hegel, Marx, dat de geschiedenis een plot heeft en eens eindig is. Met optimistische perspectieven, niet die van een heilstaat maar wel van steeds beter en in een permanente toestand van kritiek.

In dit verhaal blijven wel onderbelicht de sociaal economische omstandigheden die voor mensen zowel positief als negatief kunnen zijn. Hetgeen leidt tot het prevaleren van unieke belangen bij het oplossen van problemen en daarmee tot conservatisme. Het hele rijke dat zorgeloos leeft naast het absoluut arme, daardoor overgeleverd aan criminaliteit, het nationalisme van eigen volk eerst. Maar wel een duidelijk en eerlijk verhaal, wars van duistere diepzinnigheid, meer mentaliteit dan ideologie, en altijd bereid tot discussie.

 

Een samenleving moet niet alleen rechtvaardig zijn maar ook eerlijk. John Rawls (1921- 2002) Die niet funderen op de natuurwetten die mens bepalen, z’n genen en wat die willen, maar op Kants zuivere rede van de autonome mens, de mens met als ethiek autonomie en welzijn voor iedereen. De herleving van het sociaal contract denken, in de VS het liberalisme, in Europa de sociaal democratie. De mens naar z’n natuur is oneerlijk bedeeld, de mens naar z’n geboorte eveneens. De politiek die daarvoor kiest, die dat ziet als een natuurlijk gegeven, als naar de wil van de schepping of hogere machten introduceert een economie die alleen de sterke en slimme mensen honoreert, rijken zorgeloos laat leven naast verpaupering. Rawls kiest voor een politiek die iedereen het recht geeft op autonoom zich zelf zijn naar eigen vrije rede en aanleg. Optimale gevarieerd dus, maar onder voorwaarde dat die autonomie mede die van alle anderen ten goede komt, dat deze ongelijkheid tevens uitpakt in het voordeel van de minder bedeelden.  Het in Nederland betalen voor de verzorgingsstaat, iedereen naar inkomen, mogelijk zijn dank zij die staat. De chirurg mag rijk worden van medische pech van anderen door die kosten samen te verzekeren. Onderwijs tot op het hoogste niveau die ieders talenten optimale kansen geeft. De Mozarts, Einsteins in de samenleving iet verloren laten   gaan. Die dus niet naar de natuur maar naar de cultuur waarvoor ratio en rede democratisch kiezen.

Rechtvaardigheid en eerlijkheid zijn niet te scheiden. Talenten en plek van het geboortenest zijn immers niet eerlijk verdiend, mogen dus geen morele gevolgen hebben, de rechtvaardigheid van een maatschappij bepalen. ‘Leg bij de bepaling van het sociale contract een sluier van onwetendheid over de persoonlijke willekeur van het lot, maakt dat zo neutraal ten dienste van rechtvaardigheid.’ Ter compensatie van de natuurlijke desinteresse vanuit ieders eigenbelang, ter erkenning van een basiswaarde voor iedereen in de willekeur van het leven, afwijzing van het oneerlijke van de natuur vanuit de menselijk essentie, z’n vermogen tot zuivere rede.    

 

Actuele culturen zijn niet buiten beschouwing te nemen bij die beoordeling van rechtvaardig en eerlijk. Michael Sanders, hoogleraar Harvard university. Per land hebben die hun eigen fase in een ontwikkeling. Het liberaal westers denken waaraan andere delen van de wereld zich niet herkennen, geen boodschap heeft. Westerse mensenrechten als universeel verklaren, westerse hoogmoed!? Hoe krijgen we die anders universeel, voor de hele wereld op één noemer?  En is dat wel mogelijk met de mens naar vele groepen, naties, de vroeger rassen. Maar alle wel naar één DNA, dus één soort. Naties die wereldwijd streven naar consensus, zeker economisch  gezien de grote voordelen daarvan. De vloed van containers over de wereldzeeën.

 

Wereldbeschouwingen zijn de expressie van gevoelens. Max Weber (1864-1920).  Mensen handelen nooit waardevrij, strikt vanuit een zuivere rede. Waarden zijn mede ontleend aan persoonlijk geloven en beleven, tradities, religies, emoties. Gelukkig maar want een leven alleen naar ratio en rede maakt kent geen geluk. 

 

Terug naar het middelpunt van het heelal, voor iedereen het individuele ik, als dat rond is. ‘Individuen hebben hun rechten en niets en niemand mag daar inbreuk op maken.’ Robert Nozick  (1938 ). Het individu is volledig eigenaar van zichzelf en van wat het daaraan weet toe te voegen. Omdat dit recht individueel moeilijk te garanderen is vraagt altijd om een contract met anderen om dit samen te doen. Beperkt, want alleen om dit recht te handhaven, persoonlijk eigendommen te verdedigen, ieders autonomie te beschermen, politiek dus de minimale staat. Meer overheid willen leidt automatisch tot dwang. Belasting laat je werken voor anderen en is dan ook een vorm van slavernij. Een sociaal rechtvaardig politiek bestel dat bepaalt onder welke voorwaarden iets algemeens persoonlijk eigendom is, grondstoffen, landbouwgronden, hoe eigendom van eigenaar kan veranderen, de markteconomie, en dat corrigeert als aan deze regels niet wordt voldaan. Naar dit principe wordt de welvaart rechtvaardig verdeelt, krijgt iedereen naar eigen waarde en inzet, naar eigen betekenis in dat middelpunt.

Mensen laten kiezen voor een beschermingsconstructie die ze persoonlijk het best past en het minst kost. De macht over het staatsbestel door het meest dominante, de bevordering van enclaves waarin ze zich veilig zijn. Vrijheid voor hen die het allemaal zelf kunnen regelen, hun eigen fort weten waar te maken. Dit bestel wel op legitieme basis, democratisch.  Dat acties van hen die buiten de boot vallen, die zich niet weten te beschermen, moet kunnen verbieden en bestrijden, en voor rekening van hen. ‘De Mexicanen gaan zelf de muur betalen.’

De minimale staat gebaseerd op individueel natuurrecht als eens op de steppen in de oerbossen. Maar met nauwelijks plichten voor het gemeenschappelijke dat dit individuele voortbrengt. Mensen primair zich laten ontplooien, economisch geld verdienen en eigendom verwerven. De landen waarin mensen zich maximaal menen te moeten bewapenen, zowel om zich te verdedigen als voor crimineel overleven. De jagende mens uitgesloten van het eens gemene land, die door honger gedreven gaat stropen en belandt aan de galg. Het gevangeniswezen als leuk renderende private onderneming. Landen waarin openbare voorzieningen verloederen door gebrek aan onderhouden. De staten naar fundamentele religies die dit natuurrecht, vooral voor elites, als van hoger hand verklaren en zo buiten discussie stellen. De opmars van muren die welvaart en welzijn scheiden van verpaupering in sloppenwijken. Nozick zag zijn verhaal vooral als een gedachte-experiment. Velen die in zo’n veilige enclave zaten als het ware geloof.

 

‘De mens is volledig eigenaar wat die aan zich weet toe te voegen. Nozick.’  ‘Alles wat de mens met arbeid ontrekt aan z’n natuurlijke toestand wordt persoonlijk eigendom’. John Locke. Alles het gemaakt materiële is naar beide stellingen dus eigendom van de arbeid die daaraan heeft bijgedragen en in de mate daarvan. In moderne samenleving met alle werkenden daarbij betrokken redelijk gelijkmatig over iedereen te verdelen. van vrijwel  iedereen. Kenmerk van het kapitalisme is het oogsten van de opbrengst van arbeid en beleggen in productiemiddelen, vastgoed, goederen, geld. Naar beide stellingen is ook dit kapitaal een gemene zaak, die door verkeerd overheidsbeleid, denk aan het oorlogskapitalisme, georganiseerde verpaupering in verkeerde handen is geraakt, geprivatiseerd door enkelen. Aan een beter overheidsbeleid om dit onrecht te herstellen, iedereen kapitalist te maken, naar persoonlijke verdienste en door eerlijke verdeling van de door al gemaakte ontstane erfenis over de generaties heen.

 

In het conflict tussen vrijheid en gelijkheid, tussen liberalisme en socialisme, stelt Ralf Dahrendorf (1029)  de vrijheid eveneens boven de gelijkheid, maar onder voorwaarde van een voor iedereen gelijke grondslag, startpositie. Zijn liberalisme wil eveneens de mens beschermen tegen de staat die uit is op beperkingen van vrijheden en beslaglegging van verworven eigendommen. Maar die moet wel zorgen voor zoveel mogelijk levenskansen voor het grootst mogelijk aantal individuen. ‘Hoe meer mensen levenskansen hebben, des te liberaler de samenleving.’

De liberalen met alleen oog voor het eerste, prediken een negatieve vrijheid, die van het behoud van verkregen welvaart. Een conservatisme dat die evolutie door de mens heen blokkert. Die vereist een positieve vrijheid, een voortdurende bezinning op problemen en nieuwe mogelijkheden, en zo nodig radicaal andere paradigma.

Een gelijke startpositie voor iedere burger, burgerrechten die zorgen voor een gemeenschappelijke vloer , hoe hoger hoe beter. In die zin algemene gelijkheid voor iedereen tot zelfontplooiing en daarmee naar optimale ongelijkheid door de individuele verschillen. In veel welvaartslanden gerealiseerd met de sociale verzorgingsstaat. Het recht op scholing niet vertalen in een gelijke scholing maar naar persoonlijke aanleg en ambities. Geen nivellering van sociale klassen, vaak de broedplaatsen van bijzondere talenten.

Ongelijkheid is rechtvaardig en voor algemene welvaart en welzijn zelfs van wenselijk belang, voor het pluralistisch culturele van een samenleving noodzakelijk. Laat dat dan ook leuk verdienen. Met als plafond wat leidt tot zinloos uiterlijk vertoon. Het overdadige goudgerande paleis contra het museum van de kunst vergarende multimiljonair.  Zo laag mogelijke belasting op inkomens en zo hoog mogelijke successierechten. De erfenis over de generaties heen zo eerlijk mogelijk verdelen, en ook niet door staten laten versjoemelen. De particuliere musea die openbaar bezit worden.

Verschillen in bezit en inkomen stimuleren de samenleving, bevorderen die evolutie door ons heen, zijn de motor van veel innovaties. Ze bieden mensen hoop, mits hun uitgangsposities die laat waar maken. De landen waar iedereen het kan maken. Ze houden de samenleving open in de geest van Popper, bieden kansen voor nieuwe perspectieven, veranderen eigendomsverhoudingen en gezagsverhoudingen. Die ongetwijfeld dan leiden tot conflicten met de liberale doelstellingen en dus moeten worden opgelost met die instelling van ‘positieve vrijheid, doordenken van de dan beste manier van handelen is.’ Voor zowel steeds betere kwaliteit als kwantiteit.

 

Komt al ons politiek streven eens uit op één grote harmonieuze alomvattende rationele orde waarin die politiek slechts een deze orde onderhoudende rationeel technische rol heeft? Heeft de schepping dat voor ons in petto? Een platonische visie op de toekomst en te realiseren door een op dat doel gerichte politiek. In de geest van die evolutie door ons heen van het materiële die uitkomt op praktisch volmaakte eindwaarden. De maatschappij die klaar is naar Hegel en Marx.

Een ongerijmde van verhaal volgens Isaiah Berlin (1909-1987). Een vrije samenleving is pluralistisch, daarin mag en blijft iedereen altijd zelf beslissen over z’n doen en laten, over eigen zin van het verkregen materiële. De middelen voor onze materiële verlenging mogen dan wel af zijn, wat de autonome mens daarmee doet blijft altijd uniek en daarmee een verrassing. Voor wie schilderen een zin van leven is zijn verf en penselen praktisch volmaakt en nauwelijks te evolueren. Maar het daarmee geschilderde, dat zal tot aan het einde onzer tijd verrassend uniek zijn. 

 

De mens naar alleen z’n genen zou uitkomen op een eindwaarde in z’n evolutie, net als de vele diersoorten. Z’n vermogen tot zuivere rede sluit zo’n eindwaarden uit, bevrijdt iedereen van die noodwendigheid.  Die wel weer geldt voor de evolutie van het materiële, die met de mens daardoorheen is verder gegaan en zich inmiddels wil voltooien.

De door de evolutie georganiseerde materie - de mens -  die materie naar z’n hand en verstand weet te zetten.  Dank zei ‘we zijn ons brein’. Dick Frans Swaab (1944). Het stoffelijk brein waarin ons zelfbewustzijn, de beleving van ‘ik denk en dat ben ik’, onze immaterieel ‘er zijn’ oplicht en dat dooft als dit stoffelijke het begeeft. Het brein dat in combinatie met ons lichaam voor ons ook het ‘zijn’ als concreet stoffelijke laat ervaren. Dat voor radiogolven, elektromagnetische straling, niets is, behalve het deel daarvan dat we licht noemen en dat ons laat zien. Waarmee we doorzichtige materialen eveneens zien als niets of met een kleurtje.

Vele miljoenen jaren oude fossielen van de eerste levensvormen tonen al iets van een brein, een plek voor een centraal zenuwcentrum, kennelijk bedoeld om te kunnen  reageren op waarnemingen van de buitenwereld,  inmiddels geëvolueerd tot het onze met zo’n miljard zenuwcellen. Met daarin onze aanleg, voorprogrammering  naar de genen en de mogelijkheid tot verdere opslag met verhalen die ieder mens met ‘ik denk en dat ben ik’ tot mens maakt.  Blijft die uit, is incidenteel gebeurd, dan blijft dat de mens kenmerkende ook uit, ontwikkelen de hersenen zich eveneens niet meer en rest alleen iets naar de genen. Verder is het hele proces vanaf verwekking tot en met opvoeding en scholing bepalend voor de kwaliteit van ieders mens zijn. De invloed van roken, drinken, drugs tijdens de zwangerschap, van heel veel kindermisbruik. De oorzaak van grote IQ verschillen die zich maatschappelijk vertalen in moeilijk te doorbreken vicieuze cirkels, mede door het soort paart met soort.

Met als uitkomst beduidend percentages afwijkingen van wat het actueel geachte normale, zowel in positieve als in negatieve zin. Het in aanleg geniale, talentvolle en het omgekeerd, de erfelijke belasting met gebreken.

 

Een wetenschappelijke ontkenning van het dualisme, van het bestaan van een onafhankelijke ziel en daarmee van het bovennatuurlijke. Met wel nog de vraag hoe die beleving van die immateriële ziel in ons materiële. Die vraag beantwoord zou computers met een ziel mogelijk maken. Met ook de vraag of de vrije wil waarin we geloven in feite een illusie is. De rechter helft van onze hersenen die automatisch op waarnemingen reageren en de linker die paar seconden later een daarvoor logisch verklaring bedenkt. Een weten gebaseerd op mensen waarbij de verbinding tussen beide helften ontbreekt. Hersenscans die seksuele geaardheid, de mate van empathie, vermogen tot beheersing meten. Lezen van onze aanleg en eigenschappen in ons DNA gecombineerd met genetische modificatie. In een wereld waarin al het mogelijke moet mogen. Honderden jaren gezond willen leven, superintelligentie kweken, een enkele reis Mars. Moet allemaal mogen. Ons denken in onze tradities, met die woorden naar de beleving van ons verleden. Zwarte Piet de knecht of de slaaf van Sinter Klaas al naar dat verleden. 

 

Filosoferen is verworden tot diepzeeduiken in het duister van de oceaan van al het door de tijden heen geschrevene, het in vele verledens tastten naar waarheden om in te kunnen geloven. ‘We leven in een betekenisloze hyperwerkelijkheid’.  Jean Baudrillard. ‘Alles kan en alles mag waar zijn en we zijn van elke moraal bevrijd’. Er zijn geen taboes meer, er is alleen nog het feest van opwindende leegte, de hel van almaar hetzelfde, van weer een Kerstmis, Pasen, koopzondag. De mens die z´n identiteit ontleent aan de reclame voor merken, mode, politiek.

 

Wat is nog de echtheid van de beelden waarmee we denken, de wereld duiden, ons zelf verantwoorden, eigen werkelijkheid maken? Inmiddels naar de vele media, de zenders waaruit we vrij mogen kiezen, het internet waarop we twitteren. Met antwoorden vaak lijnrecht tegenover elkaar en daarmee naar ieders wens. Bewijs maar dat mijn waarheden niet deugen en die van jou wel. Thesen die nergens meer aan te linken zijn, daarom ook niet te bewijzen zijn, maar eveneens dat ze niet waar zijn, en dus best wel eens waar kunnen zijn. De overal opduikende eenhoorns van Parmenides, vliegende schotels, kwalijke straling, geestelijke aureolen, homeopathie, superfood, genezende neushoornhoorn.  Om te kunnen vluchten uit de boze buitenwereld in sprookjes en bedrog van de spektakelmaatschappij, eigen werelden van schone klaterschijn te scheppen, om te verbieden of te gebieden, wel of geen kernenergie, genetische modificaties, abortus, de pil van Drion.

 

In die diepdonkere diepzee van woorden ze lukraak grijpen en rijgen tot zinnen zonder zin. De Alan Sokal affaire, Alan Sokal (1955) die een nepartikel met alleen zinloze beschouwingen opstuurde naar een gerenommeerd academische tijdschrift, dat gepubliceerd kreeg en met vervolgens veel internationale aandacht en waardering. De filosofen die vinden dat je ze meerdere keren moet lezen wil je ze kunnen begrijpen. Lege codes die circuleren in een systeem van betekenisloosheid.

Religies die met absolute thesen de autonome mens verbieden, die de evolutie door ons in de weg staan door zich in de politiek te nestelen, die geen elke vorm van anders geloven tolereren, democratie verbieden. Middel bij uitstek om eigen waarheden, macht, posities buiten discussie te stellen, door ze strikt bij de gratie van hogere machten te verklaren. De fundamentalistische varianten op geloven in landen om dominante minderheden aan de macht te houden. Met inmiddels internationale uitstraling, die religies niet te verwijten maar deze dictators.  

 

Beeldende kunstvormen die mee liften met die extase van communicatie met beelden die aansluiting zoeken op door filosofen gepresenteerde hyperwerkelijkheden. De kunst als teken van z’n tijd. Willem Elias (1950). De kunst om de eigen tijd beter te begrijpen en daarin te leren leven, die even ernstig te nemen als wetenschap en religie. De mens leren kennen door het lezen van onze romanciers. De kunst die elke tijd z’n spiegel voor houdt.

De kunsten die elke tijd z’n signatuur geeft en daarmee kenmerkt, die het wezen van elk tijdperk onthult. Het design van alles, in de vele verledens , het heden en de toekomst. De kunstenaar die z’n ware kleur vindt, de onderneming die z’n kleur patenteert. Het product dat primair merk, design is. Het strikt eigen interieur.

 

‘Alle geschreven zinnen, de atomen van de verhalen van ons wereldbeeld, zijn naar de regimes van ieder mens aangeboren talen’. Avram Noam Chomsky (1928) Die denkt dat  daarmee het gedrag van de mens biologisch te verklaren valt, dat het is naar hun denken en dus naar de taal waarin ze geboren zijn. Een taal waarin iedereen wel vrij kan duiken naar woorden voor de zingeving aan z’n leven. ‘De mens heeft een wil en hoeft zich niet te schikken’. Chomsky schreef zeer kritisch over de Amerikaanse politiek.

Taalkunde, de grondstof voor ons denken, van de menselijke geest met ik denk en dat ben ik, is een natuurwetenschap en niet een sociale of toegepaste, is onderdeel van de biologie. Aan de wetenschappen te verklaren hoe dat taalvermogen in de mens werkt, hoe die zich daarin manifesteert, en dus niet hoe die zelf tot uiting komt. De onderscheiding van de mens in een intern deel en de externe verschijning.  Het universele van alle mens ligt dan besloten in het taalvermogen van ons algemeen DNA. Het universele verhaal via die evolutie door ons heen op weg naar de universele wereldorde. Die dus naar de code van ons DNA, die van de menselijke  soort. Een positief antwoord met wel de vraag van al het negatieve vanuit ons DNA door vele anderen geschetst.

 

Waarschijnlijk dan ook weer niet het laatste antwoord, het antwoord dat geen vraag meer kent, alles duidt en daarmee maakbaar maakt. De mens tot op al z’n moleculen verkend en dus te zelf te construeren. De robot die mens gaat opvolgen en ons daarmee overbodig maakt. Een robot met eveneens als kenmerkend ‘ik denk en dat ben ik’ en dan zit met de vraag waarom en waartoe. Een volmaakte rationeel ‘er zijn’ maar zonder de driften en instincten die de mens mede kenmerken en zichzelf zin moet geven. Dat liefde noch haat kent, genot noch pijn, en dan niet veel anders kan denken van alles maken en doen maar altijd zonder eigen zin. Of de evolutie van de schepping hier ooit op uit kan komen, de principes daarvoor voor ons in petto heeft? Voor ons slechts tijdelijk zijn dat eens tot sterrenstof zal verwaaien voor weer een nieuw begin van denken, doen en zich afvragen.

 

 

Willem Semeins 1917

 

Literatuur.

 

 

Hans Achterberg – de utopie van de vrije markt.

Jean Baudrillard en Jean Nouvel- Filosofie in dialoog.

Sven Beckert – Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie.

Gegory Bergman – Filsofie voor in bed, op het toilet, of in bad.

C.P.Bertels en E.J.Petersma – Filosofen van de twintigste eeuw.

W.Durant – In den hof der wijsbegeerte. Van Socrates tot Bergson.

Victor Lamme – De vrije wil bestaat niet.

J.Luyendijk – Dit kan niet waar zijn.

Ruben Mersch - Oogkleppen . 

Philip Stokes – Filosofie. 100 essentiële denkers.

Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten.

Dick Swaab – Wij zijn ons brein.

A.Vloemans – Leven en leer der grote denkers.

Frans de Waal – Een tijd voor empathie.

Wikipedia