mmm1 25 11
mm 5
Kervins verhalen.
Tijdens hun trektocht door het natuurpark hadden ze weer alle gelegenheid
voor hun gebruikelijke discours over van alles en nog wat. De lange
dagtochten waren vooral saai, een almaar stom doordouwen over een eindeloos
gelijk lijkend heuvelig landschap dat op elke hoogte uitzicht gaf op een
volgende te nemen verte. Alleen uit verveling al hadden ze wat afgeleuterd.
Zoals hoe vrouwen als die twee die ze vervolgden zich financieel zoveel konden
permitteren. Volgens Chiavel hadden ze de
economie totaal laten verpieteren. Toch waren deze vrouwen in staat meer dan
leuk te verdienen.
‘Het is een van zijn ergernissen, gewoon, omdat het er in zijn
vroeger heel anders aan toeging. Maar of dat zoveel leuker was?’ Chiavel mocht er graag over snoeven, over felle competitie
met intelligent elkaar de loef afsteken, gedurfde initiatieven en
slagvaardige inventiviteit. Daarmee kwam de wereld verder. Burton kende die
verhalen.
‘Anders ook wel om ons te bewijzen. Wij mannen moesten altijd net iets meer
dan een ander, hadden zo nooit genoeg en bleven maar werken. Zij vrouwen
beperken zich tot gewoon genoeg. Lijkt me wel zo verstandig.’
‘Kom je wel uit op onze compleet verstarde economie met nauwelijks nog concurrentie,
op die verstarde ‘basis’. In Chiavels vroeger
ging het er veel spannender toe.’ Met dit soort tegenwerpingen kon hij Kervin altijd leuk aan de gang houden.
‘Maar je hebt deels wel gelijk. Dat bewijzen van je mannelijkheid, die
edele strijd, was alleen mogelijk in de bloeitijd van de technologie en
wetenschap, toen die economie nog open was en kansen bood voor innovatie, er
met initiatieven nog te winnen of te verliezen viel. Maar met alles zo’n beetje
ontdekt en uitontwikkeld, vraten de winnaars zich steeds rijker ten koste van
de verliezers, monopoliseerden ze die posities en consolideerden ze het als persoonlijk
bezit. Dat waren de tijden van de rijke alles overheersende clans.
Die zelfs democratieën opkochten.’
‘De consolidatie in verstarring is dus ook al een vinding van ons mannen?’
‘Ja, en stamt uit de barre tijden van het veel te veel voor enkelen ten koste
van een overeenkomstig tekort voor velen. Chiavel staart
zich blind op het extreem vertoon van de winnaars toen en ziet daardoor
het tekort van al die daarvoor zwoegende wijkers niet.’
‘Wijkers, zoals wij voor hem, want voor wie
sloven wij ons hier uit?’
‘Daarom is hun ‘basis’ nog niet zo gek. Ze levert iedereen wat gewoon
nodig is, voorziet in onze basisbehoeften en zorgt voor de benodigde koopkracht
via het rendement op het daarin belegd vermogen. Elke maand krijgen ook wij
mannen dat voor niks op onze rekening, kunnen we het er redelijk mee
doen en mogen we het daarbij laten. Dat vrouwen met werken die ‘basis’ mooi
in stand houden extra verdienen lijkt me redelijk.’
‘Ons zo nu en dan bijklussen bij vrouwen kan ook aardig oplopen.’
‘Die ‘basis’ komt toch voort uit de consolidatie van eens onze multinationals.
Nadat de winnaars wereldwijd alles hadden overgenomen kwamen die daar
automatisch op uit. Ze bundelden de producties voor al onze basisvoorzieningen.
Daarbij deed kapitaal geïnvesteerd in productiemiddelen het werk. Die vermogens
ontwikkelden zich via diverse fondsen tot gemeenschappelijk bezit. En dat als
erfenis over vele generaties werd gezamenlijk bezit, de grondslag dus van ons
huidige ‘basisvermogen’.
‘Chiavel zegt dat dit ‘bv’ z’n oorsprong
heeft in eens door ons eens geïntroduceerd pensioenstelsel.’
‘Klopt. Maar dat systeem faalde toen unieke belangen zich met economische
luchtballonnen dit bezit van voornamelijk de werkers en dus wijkers, toe-eigenden. Zij vrouwen hebben ook dat
gesaneerd en een solide grondslag gegeven, zo solide zelfs dat iedereen nu vanaf
de geboorte met pensioen kan, een BV als basis daarvoor heeft.’
‘Met iedereen zo een uitkering voor het leven hoeft niemand meer te
werken.’
‘Wel een uitkering anders die niet voor rekening is van anderen maar voor onze
basiseconomie. Die moet dus blijven draaien. Die taak hebben zij op zich genomen.
Maar dat gezamenlijk zwoegen beperken ze strikt tot wat daarvoor nodig
is. Wat ze meer willen doen ze gewoon gezellig thuis. Dit systeem met ‘basis’
en ‘bv’ heeft namelijk in alles z’n doorwerking. Met iedereen een
rendement op basisvermogen zijn werkers schaars. Daarom hebben ze de ‘basis’
maximaal gemechaniseerd, geautomatiseerd, gerobotiseerd en gereduceerd tot wat
strikt nodig is. Wat daarvoor te doen valt kan dan ook vorstelijk worden
betaald. De ‘basis’ moet medewerkers lokken forse beloningen. Omdat die graag
in kudden leven, in hun leefverbanden, moeten ze voor hun werk meestal ver en
lang van dat thuis. Daarom zijn ook hun secundaire werkomstandigheden uiterst
riant. Ook jij kent ze wel, die hotels waarin ze gedurende hun werkweken verblijven
en die alleen topzwervers accepteren.’ Burton wist alles van die selectie en de
conditie die je daarvoor moest hebben, maar ook hoe het leuk renderend die
verwenverblijven waren. Op hun nesten ging het er rustiger aan toe ging en
kon je ook prettig laten belonen als je goed presteerde.
‘Maar volgens Chiavel is die ‘basis’
geheel verpieterd.’
‘de ‘basis’ is in feite de consolidatie van die antieke multinationals.
Die verzagen in wat we primair nodig hadden en massaal was te produceren. Dat
die consolidatie niet heeft geleid tot één bedrijf is te danken aan een toen
door overheden gesteld concurrentiebeding. Dat dwong ze tot acceptatie van
elkaar en daarmee automatisch tot afbakening van markten. Vooral toen hun
producten op eindwaarden belandden, geen van die multinationals zich door bijzondere
innovaties nog konden onderscheiden. Daarmee geraakte onze basisvoorzieningen
in stagnatie.’
‘Die ze hebben doorbroken met hun unieke circuit,’ zei Burton.
‘Inderdaad, in hun kudden, nesten, roedels enzovoort doen ze uitgebreid aan
huisvlijt. Daarmee snijden ze kleinschalig de simpele essenties van de ‘basis’
toe op wat zij mooi of leuk vonden. Thuis bakken ze de taartjes die ze lekker
vinden. In ateliers naaien ze de kleding die ze uniek mooi maakt. En zo kan de
‘basis’ zich beperken tot het daarvoor de benodigde. In aansluiting op de ‘basis’
hadden ze dicht bij thuis een economie voor hun persoonlijke manifestaties,
dat uniek circuit.’
‘En dat komt voort uit het zwarte circuit van eens onze economie?’
‘Kan best zijn. Maar dat uniek zijn zit ze wel in de genen. Eens vingen ze
daarmee de als winnaars bewezen mannen. Een vrouw moet zich weten te
onderscheiden van alle anderen’ Kervin had
op alles een antwoord.
‘Wat die ‘basis’ produceert is ook nog zo eindeloos duurzaam.’
‘Inderdaad, alles wat zich daarvoor leent consolideren ze tot op antiek,
maken ze voor altijd en dus uiterst bestendig. Niet onlogisch als er niets meer
valt te ontdekken, te bedenken, te innoveren, er technisch geen veroudering
meer is, alles bij tijdloos wordt. Veroudering beperkt zich dan strikt tot
slijtage en verbruik. En dit streven reduceert weer hun dom ploeteren voor de
‘basis’. Tevens vergroot het onze erfenis over de generaties heen en daarmee
de hoogte van ons ‘bv’. Mijn camera bijvoorbeeld: een erfenis van een van
mijn betoverenzovoortgrootmoeder. En weet jij
een betere te koop? Of de herbergen die we aandoen: zijn de eeuwenoude slechter
dan de meer recente? Onze onverslijtbare auto’s zijn letterlijk van alle
tijden, antiek en daardoor altijd leuk uniek. Allemaal erg logisch. Iets waaraan
niets meer valt te verbeteren moet liefst zo lang mogelijk mee gaan. Alles wat
zij produceren is daarom als het even kan voor eeuwig. Met de vrouwen aan het
bewind is alles tot het volmaakt duurzame gedoemd.’ Kervin leek
haast ontroerd door zijn betoog.
‘Daardoor leven we anders wel in een even volmaakt voltooid verleden.
Het is dat onze kleren slijten en we ons eten verteren, maar voor de rest
lijden we wel aan die erfenissen over vele generatie heen die maar blijven doorduren,
zijn we zelf antiek en daarmee zonder toekomst.’
‘We leven nu eenmaal in een bezitsstructuur. Daarbij dient de economie
slechts voor onderhoud en aanvulling, behoud van deze structuur. Omdat vrouwen
beslist elk jaar wat nieuws willen doet textiel het goed, voeding blijft nodig.
Maar elektronica is compleet uitontwikkeld en uiterst bestendig, huishoudelijk
hebben we alles in overdaad, energie is lokaal duurzaam geregeld. Hun nestelen
is modegevoelig maar dat leidt vooral tot initiatieven in het ‘unieke circuit’.
Voor de ‘basis’ valt nauwelijks nog expansie of innovatie te bedenken. In Chiavels tijden, de onze dus, ja toen was dat anders.
Wij hadden een loonstructuur met een ongeremde consumptie- en wegwerpdrift, wij
bestonden bij de gratie van de groei. Daarom werkten wij door tot wíj versleten waren. Vanuit ons instinct van almaar meer
en rijker. Dat zit ons in de genen. Vrouwen missen dat, zijn tevreden met een
nest vol. Toen zij het dus van ons moesten overnemen werden ze al snel pragmatisch.
Met alles toen al uitontwikkeld en redelijk duurzaam concludeerden zij: ‘we hebben
eigenlijk alles al, moeten het alleen wat beter verdelen en onderhouden. Dat inzicht
leidde tot een enorme besparing op het werk, dat inmiddels ook geheel
voor hun rekening kwam.’ Na zo’n lang en volgens hem geslaagd betoog
kon Kervin altijd zo heel tevreden en
voldaan kijken. Tijdens hun saai getob door het sneeuwlandschap had hij hem geregeld
op dat niveau gekregen met zijn uitdagende vragen.
‘Die beperking van de ‘basis’ tot essenties, hun streven naar het uiterste
in ascese, dat is ook iets wat Chiavel zo tegenstaat.
En dan die zelfvoldane kreet van ze: praktisch volmaakt. Betekent niet anders
dan gewoon goed, kwaliteit, wat de markt wil, wat praktisch bruikbaar is. Geldt
in die zin trouwens alleen voor wat we rationeel technisch en met afspraken beheersen.
De productie van bijvoorbeeld een muziekinstrument is rationeel te beoordelen
op kwaliteit. Onze uitingen daarop zijn altijd uniek en dus subjectief, in die
zin buiten discussie. Met dat rationele gaan zij tot op het uiterst mogelijke,
maar bepert tot wat ze praktisch vinden.
Dat noemen ze dan praktisch volmaakt. Onze aard is grensverleggend, de hunne
begrenzend, ingesteld op ascese. Onze auto’s moesten steeds sneller, sterker,
stoerder. Nu zijn ze strikt afgesteld op wat mag, praktisch en nuttig is. In
plaats van consumeren en verspillen kiezen zij voor bezitten en daarmee voor
leuk leven met weinig werken en veel vertier.’
‘Dat doen ze anders uiterst gevarieerd. Dat valt niet te ontkennen.’
‘Begrijpelijk toch. Als je niet kunt innoveren verval je in variëren.’ Met
dit soort stellingen van Kervin waren de
tochten over die eindeloze besneeuwde vlakten toch nog amusant en leerzaam geweest.
Tevens maakten ze duidelijk hoe anders hij over hun positie dacht dan Chiavel. De afgelopen weken met Kervin waren
als gebruikelijk weer heel boeiend geweest.
‘Vroeger deden wij het management, organiseerden wij de maatschappij, als
we Chiavel mogen geloven.’
‘En wie werkten er?’ vroeg Kervin sarcastisch,
en toen hij het antwoord schuldig bleef:
‘Diegenen die voor die macht met directeuren, chefs en bazen, opzichters,
voormannen en regelaars moesten wijken, mannelijke minkukels, de wijkers, en op de werkvloer vooral vrouwen.’
‘Die wijken van nature, hebben dat in de genen.’
‘Neen Burton, net als Chiavel zie je
dat verkeerd. In de natuur laat het sterkste mannetje zijn rivalen wijken en
daardoor verkommeren. Maar het vrouwelijk, dat wacht slim af op wat zich
zo als superieur manifesteert en bedient zich dan daarvan. Juist het mannelijk
heeft het gedwee afdruipen en zich onderwerpen aan de macht van de sterkeren in
zich. Wij lieten ons willig organiseren tot blind sneuvelende legers en gehoorzaam
inzetten voor bureaucratieën. Dat dienen, werken en sterven vonden wij leven.
Maar vrouwen? Die beperken zich tot wat gewoon nodig is; deden ook toen al
vooral het praktisch noodzakelijke en dus vaak het echte werk. Elke
geschiedenis is naar wat je ervan wilt maken.’
‘Dus ook die verzinsels van Chiavel zijn
naar zijn verbeelding? Wel mooi dat zij ons van dat werk hebben vrijgesteld.’
‘Om ons te misbruiken voor hun lustleven,’ grapte Kervin.
‘Daarom wil Chiavel zo graag weer terug
naar één op één, de macht heroveren en de rollen weer omkeren. Hij vindt onze
huidige maatschappelijk rol manonwaardig en vernederend.’
‘Ja, en dan ook wij weer hard aan de slag in van die antieke organisaties.
Uit zijn superselectie op zijn horst rekruteert hij nu al zijn submanagers,
officieren en sergeanten. Hij droomt van een maatschappij met een structuur
met onder en boven, hoger en lager.’
‘Rangen en standen, status en posities... Nee, dat kennen zij niet; zij
hebben het slechts over verdelen van taken, van gewoon doen wat moet gebeuren.
Dat lijkt me wel zo rationeel.’
‘Ik dacht nog wel dat we toen een cultuur hadden van mannelijke eenvoud,
van schoonheid in ascese, beperking tot essenties, zakelijk,
onze kleding een uniform.’
‘Een systeem van ordening en onderscheiding komt alleen tot z'n recht
tegen een uniforme achtergrond. Die moet zich dus beperken tot essenties:
standaards, normen en typen. Want alleen dan tekenen niveaus met sterren en
strepen zich daarop af. Het merk en type van bijvoorbeeld auto’s was voorwaarde
voor een objectieve beoordeling. Wij wilden immers gewaardeerd worden naar wat
we bereikt, verdiend, veroverd hadden. Dan zijn merken en prijsklassen nodig.
Met nu alles apart en uniek valt iedere onderscheiding weg. Omdat zij alles bijzonder,
uniek willen, verhinderen ze elke objectieve beoordeling. Van een vrouw houd
je of niet, die is altijd een subjectieve beleving.’
‘Inderdaad. Pas in gebruik merk je wat ze waard zijn.’ Weer zo’n briljante
verklaring voor iets heel gewoons van Kervin.
‘Hun systeem van gewoon genoeg is ook redelijk sociaal. Het teveel van enkelen
leidt nu niet meer tot een tekort van anderen. Het ‘bv’ is dan ook
slim bedacht. Niemand komt nu voor rekening van een ander. Alle kinderen hebben
in aanzet gelijke kansen. Wil je niet werken dan laat je het bij dit basisinkomen,
criminelen zijn te separeren voor eigen rekening... Iedereen is aandeelhouder
van onze ‘basis’ en heeft er belang bij gezond en leuk renderend te
houden.’
‘Het rendement is veel te hoog, vindt Chiavel,
door die consolidatie in stagnatie die concurrentie belemmert.’
‘Eveneens heel slim. Door ook die strijd te temperen houden ze het dividend
op ons ‘bv’ hoog. Daardoor kent de economie nauwelijks nog geen vette en magere
jaren. Tevens belet die consolidatie bedrijven koerswinsten te realiseren door
almaar groter te groeien ten koste van andere. Vroeger was dat dé manier om
rijk te worden. Nu dient elk bedrijf primair winst te maken. Met zo iedereen
ruim voldoende kom je uit op een eerlijke maatschappij. Als nu sommigen met teveel
en overbodigheden willen leven lijdt dat niet tot tekorten voor anderen. En
moeten en mogen ze het zelf verdienen in het unieke circuit met eigen bedoeninkjes.’
‘Daar versieren ze hun overbodigheden, borduren ze de hemden waarmee ze ook
ons optutten. Heb je wel eens bekeken hoe bont opgedirkt veel mannen er bijlopen?’
‘De reden waarom Chiavel dat simpel
krijtstreep voor ons duistere uniform heeft bedacht, of eigenlijk uit ons verleden
opgevist: was eens een middel je te onderscheiden van het plebs.’
‘Ik ben er anders niet kapot van.’
‘Kun je zien hoe verworden je bent, in de ogen van Chiavel.
Ik kan ons uniform ook niet bewonderen. Maar het sluit wel mooi aan op ons
filter.’
Met Kervin kon het zo eindeloos doorgaan.
Soms stagneerde hun conversatie zoals op die ochtend, beiden nog bekaf van de
nacht, na een worsteling door kreupelhout en uitkijkend over weer zo’n een
eindeloos ogende open vlakte met een noordooster diepvriesadem pal in hun gezicht.
Toen ze weer eens gedwongen waren ze met de baan in te halen en ze hoopten tegemoet
te lopen. Het tempo van die meiden was moordend. Daarbij kwamen die vermoeiende
nachten in de herbergen van het natuurpark. Het soort vrouwen dat
hier rondwaarde, had een conditie die ze uiterst aantrekkelijk en gulzig
consumerend hield. Daardoor waren ze nauwelijks te ontlopen en ook dat was wennen.
Het zuiden had ze beduidend tammer, saaier en daardoor minder uitputtend. Elke
ochtend weer hadden ze moeite om op gang te komen en in het juiste ritme te geraken
voor hun conversatie. Maar meestal na een uurtje warmlopen kwam die weer op
gang.
‘De vrouwen hebben het werken in de antieke zin uiteindelijk geëlimineerd.
Terwijl ze het mogelijk als eerste hebben uitgevonden.’ Zo was Kervin met een van zijn verrassende betogen begonnen.
Ze liepen comfortabel in de luwte van een diep in het landschap gesneden rivierbedding.
‘Leg me dat maar eens uit.’
‘De natuur biedt onze voorfamilies een vruchtbare voedingsbodem, weiden om
in te grazen, wild om te bejagen, een atmosfeer om te ademen, dat alles opgebouwd
door al het voorafgaande leven als basis, als voedingsbodem voor elk nieuw begin.
Door deze erfenis over vele generaties heen vindt elk nieuw leven te grazen, te
vangen, vruchten te pikken enzovoort.’
‘Net zo’n erfenis dus als ons ‘bv’. Maar wat heeft dat te maken
met werken?’
‘De mens veranderde dit systeem van onze voorfamilies, werd op eigen wijze
wijs vond dat het beter kon.’ Bewonderend had hij zijn metgezel aangekeken.
Waar haalde hij die bizarre verhalen vandaan? Of ze waar waren? In ieder geval
erg boeiend.
‘In de natuur grazen de vrouwtjes in kudden of jagen ze, vaak in groepsverband,
zoals leeuwen en hyena’s. Rond hun nijver bezig zijn dartelen de mannetjes al
vechtend om uit te maken wie ze mag dekken, en verder wachtend tot er valt mee
te eten. Van nature zijn de vrouwtjes zijn dus belast met de zorg voor
zichzelf, hun kroost en die zichzelf uitselecterende mannetjes.
‘In de natuur zijn het vooral de vrouwtjes die het werk doen en selecteren
de mannen zichzelf op paren en mee-eten, bedoeld je.’
‘Ja, en bij de prehistorische mens was dat nog zo,’ antwoordde Kervin. ‘Verna heeft zich
verdiept in die tijden waarin wij ons gingen onderscheiden van onze voorfamilies.
Volgens haar theorie werden wij mens omdat onze vrouwen gingen
werken, de huishouding uitvonden. Zij kregen door dat al dat dom door steppen
dwalen, achter een prooi aan hollen, in bossen schuilen anders kon. Ze gingen
hutten bouwen, tuinieren, huisdieren houden; kortom zij bedachten het werken
voor de kost. Het praktisch vrouwelijk bewustzijn is daaruit te
herleiden.’
‘En wij mannen met onze innovatiedrift. Ik dacht dat wij de meest inventieve
waren, de edele jagers die voor het eten zorgden?’
‘In die pre-fase, bleven wij ons gewoon bewijzen
en wachten tot het eten klaar was of zij ons wilden. Maar met al die vrouwen
druk doende, hadden wij alle tijd om onze wapens uit te proberen op voorfamilies,
én om ons over die situatie te verwonderen. Ons bewustzijn
werd zo vooral filosofisch. Daarmee kwamen wij op gedachten als de zin en zo op
de moraal dat dit nijver vrouwelijk gedoe, vooral de man diendende. Fysiek sterker en met onze wapens was het niet
moeilijk ze deze moraal op te leggen. Vervolgens bedachten we geesten, goden en
religies om deze moraal te bevestigden en buiten discussie te houden. Verder
doordenkend kregen de sterkste onder ons mannen al snel door dat je met dergelijke
systemen ook wijkers voor je kon laten vechten
en werken. Deze ontwikkeling leidde tot ‘het baas boven baas complex’ van
de bureaucratie. Daarmee kreeg elke wijker als
onderbaas toch iets van een winnaar. En helemaal onderaan deze ladder zaten
immers altijd de vrouwen. Die bleven gewoon doen wat nodig was.’ Kervin klonk weer helemaal opgetogen.
‘Komische vrolijke verhalen over ons heel vroeger. Hoe kom je er op?’
‘Verna’s visie op het eens zo onzalig verleden
van de vrouwen dat zij beslist nooit meer terug willen. Volgens Chiavel dé periode van glorie en roem van onze historische
helden.’
‘Die tijden wil hij terug? En dan wel met de meerderheid van ons mannen
als wijker, weer overijverig aan het werk of
sneuvelen voor waanwensen. Moeten we dat ambiëren? Ik moet er niet aan denken.’
‘Zo’n systeem selecteerde anders wel op een meer natuurlijke wijze het
dominant mannelijke. Die autonome selectie zijn we nu volledig kwijt, is
helemaal in handen van Y‑breisters, van
vrouwen als waar wij nu achteraan draven.’ Tot deze conclusie kwamen ze aan
het einde van een lange dag toen zij uitweken voor de nacht in weer zo'n herberg
vol gulzige vrouwen.
De volgende dag leken ze hun doel te bereiken. Hun spoor weer eens bijster
hadden ze de horst gevraagd via relaties hun prooien telefonisch te spotten.
Het was riskant, kon argwaan wekken en daarom tot nu toe vermeden, maar ze
moesten wat. Zo bekend met hun positie waren ze die dag redelijk optimistisch begonnen.
Het terrein was goed begaanbaar, licht heuvelachtig en met door grazers open
gehouden gangen. Welgemoed op weg hadden ze weer alle tijd voor hun beraad
over hun wereld.
‘Die vriendin van jou, die Verna, dat is
ook zo'n Y‑geleerde. Praat je met
haar wel eens over die fantasieën van Chiavel?’
‘Ja, want zij is in vele opzichten zijn tegenpool en daarom zo interessant.
Hij bewijst de wereld uit ons verleden, zij vanuit het ongerijmde. Volgens
haar is de essentie daarvan, de materie, een door ons nog steeds onbegrepen een
mysterie. Wij menen dat het iets is, en dus niet niets. Stel je nu eens
voor: geen schepping, heelal, energie, materie, tijd, leegte, bewustzijn, dus
helemaal niets. Volgens Verna is dat
fundamenteel ongerijmd. Uit dat ongerijmde volgt dan dat er altijd iets moet
zijn. Het niets dwingt tot iets, een big bang, een schepping. Verna noemt dat de eerste wet van wat wij beleven als
iets, dat mysterie materie. Dat wij beleven als heel concreet. Kijk naar een
glazen ruit en je ziet de bron van het iets: niets. Loop er tegenaan en je beleeft
het als een heel reëel iets. Omdat we zelf zijn uit dat iets van het uur nul
van het heelal. En toen de moraal meekreeg van het ‘mogelijke moeten
mogen’ naar de natuurwetten. Dat resulteerde in een door de tijd heen evoluerende
dynamische materiële balansen met daarin uiteindelijk ons bewustzijn, iets immaterieels
en dus weer iets niets, maar nu zinvol.’
‘En dat zinvolle niets zijn wij.’
‘De eerste bescheiden aanzet daartoe, Burton. Wij verbeelden ons wel dat we
bewust en vrij handelen, maar in feite zijn we ons er vooral van bewust. Aangenaam
keuvelend lopen wij onbewust en automatisch door dit barre landschap. Ons
meeste doen en laten overkomt ons. We zijn bewuste automaten in dienst van de
evolutie.’
‘Leuk geloof van jouw vriendin.’
‘Het zinvolle in aanzet is nu aan zet. Want volgens Verna gaat de evolutie gewoon door; maar nu door ons
mensen heen. Met als bewijs ons één op tien en eigenlijk of eigenlijk nog
minder. Naar Verna’s religie spelen wij
onze laatste rol op dat toneel, zijn wij mannen een twijg aan de stam van de
schepping die spoedig zal afvallen. In die evolutie door de mens heen hebben we
onze langste tijd gehad. Nog zijn we nodig voor hun voortplanting, maar wie
weet voor hoelang nog? Ook ons heden is een dynamische balans van moeten mogen
en de uitkomst daarvan.’
‘Meent ze die onzin echt? Is dat haar ideologie? Heeft haar vriendin Estrice zoiets mogelijks ontdekt. Zaagt die aan de tak
waarop wij zitten?’ Hij had zijn makker verbouwereerd aangekeken.
Werden ze daarvoor op dit moment kosmisch bekeken ingezet? Misschien holden ze
wel achter hun finale afgang aan, waren ze bezig die mogelijkheid waar te maken.
‘Met de zingeving die Verna er op
na houdt zou je er op uit kunnen komen.’ Burton had even behoefte gehad aan
een pauze om dit alles te verwerken. Wat ze hier deden was niet naar vrije wil
maar werd gedirigeerd. Hij mocht het alleen bewust meemaken. Daarmee was een
gat gevallen in hun conversatie. Ditmaal mede omdat het terrein die onmogelijk
maakte. Vrij stom waren ze beland in een stroomversnelling van een vastgevroren
rivier en hadden ze eindelijk eens hun bergbeklimmerskunde nodig
voor een veilige afdaling over deze afgrond van ijs. Even was het echt genieten
geweest. Die hindernis overwonnen en helemaal uitgeput waren ze wel toe aan
rust en eten. Eenmaal gelaafd en nagenietend in de behaaglijke gloed van een
klein vuurtje ging Kervin verder, nu met
iets onheilspellends in zijn stem.
‘Nog zijn we op in de evolutie onmisbaar, of op z’n minst
bruikbaar. Nog willen ze hun voortplanting niet zonder ons. Maar... Chiavel denkt, hoopt, eist dat het geheim van het
noorderlicht een medicijn is voor onze fatale fout. Volgens Verna kan het best iets zijn dat ons voorgoed
overbodig maakt. Naar haar logica gaat de kosmos eens zonder ons verder.’ Kervin grinnikte even en vervolgde: ‘Zowel Verna als Chiavel lijden
hartstochtelijk aan dit soort waanwensdromen. Alleen, die van Verna lijken mij reëler en daarom gevaarlijker, vooral
met de vrouwen aan de macht.’ De toon waarop Kervin dit
betoogde had hem nog meer doen twijfelen. Ze doolden hier dus rond om hun
eigen ondergang te bezegelen. Somber gestemd gleden ze ruim een uur achter
elkaar over het dik besneeuwde ijs van een beek die maar net een gang open
hield door dicht bos. Tot hij geestelijk weer op adem was gekomen en had gevraagd:
‘Waarom is haar verhaal zo waarschijnlijker?’
‘Met onze mannelijke drift tot bewijzen hebben wij alles wat ze voor deze wereld
voor ons in petto heeft ontdekt en uitontwikkeld.’
‘Almaar dat denken vanuit driften en instincten. Is dat niet wat overdreven?’
‘Als genspecialist kent Verna onze relaties
met onze voorfamilies als geen ander. Voor haar zijn we de zoveelste diersoort,
en beslist niet de laatste.’
‘Maar als dier soort blijven we net als vele andere toch nog wel even
bestaan.’ stelde Burton.
‘Ja, zij vrouwen wel maar wij mannen mogelijk niet. Ga maar na. Wat
en hoe zijn onze relaties met vrouwen?’
‘Puur incidenteel en uiterst vermoeiend,’ grapte Burton.
‘En verder voor de voortplanting, uiterst zakelijk vooral via banken en met
behulp van Y-deskundigen. Als dat nog rationeler
kan zullen zij ook dat eens moeten mogen.’
‘Elke soort in de natuur is zowel mannelijk als vrouwelijk,’
‘Maar wij zijn al lang geen puur natuur meer, wij zijn vooral
naar wat we er zelf van maken, zijn de eerste zichzelf realiserende soort.’
‘Via die Y-teven, bedoel je. Die mogelijk
hun macht misbruiken om ons uit te selecteren. Terecht dat Chiavel ze ons lot uit handen wil nemen.’
‘Vroeger voor dat fatale waren wij de baas, hadden wij de vrouw nodig.’
‘Kregen zij ónze kinderen.’
‘Voor het behoud van de soort konden wíj ze niet
missen. Maar wat bieden wij ze meer dan wat incidenten en materiaal voor hun banken?
Voor een duurzame relatie moeten beide partijen geestelijk gelijkwaardig zijn
en dat wordt steeds moeilijker. Ik merk het met Verna.
Als zij ergens over begint, haar werk bijvoorbeeld heb ik moeite haar te kunnen
volgen. Wij mannen leven te gemakkelijk voor dat ene en laten het verder compleet
afweten. Maatschappelijk stellen de meesten van ons niks meer voor. Door ons
één op tien komen we er gewoon niet toe. Als soorten groeien we al uit elkaar,
komen we zo op grote geestelijke afstand. Buiten ons om ontwikkelen zij vrouwen
zich al tot een voor ons hogere soort met ons nog slechts voor wat lustbeleving.
Voor ons nog leuk zolang ze jong zijn of goed onderhouden als de vrouwen hier
in dit natuurpark. Maar hoe velen vervelen je niet met verhalen over hun werk,
hobby’s of kroost en zijn alleen nog met je ogen dicht en verstand op nul te
pruimen? Steeds meer mannen branden daarop af en worden zo een probleem voor
ze.’
‘Ik krijg heb ook moeite met al dat te veel dat ook nog zo verschrikkelijk
oud wil worden. Daarom ben ik blij met wat we samen op de horst hebben.’
‘Dat beleef je als je thuis. Maar weinig mannen hebben dat voorrecht. De
meesten van ons hebben niet anders dan hun zwerversbestaan. Chiavel, laten wij hem vooral in ere houden.’ Kervin had even uiterst triest voor zich uitgestaard.
Dit duurde tot hij in de verte weer eens iets bijzonders meende te ontwaren.
Deze tekens uit het antieke verleden van deze streek waren voor Kervin dé grote verrassing van deze reis. Dichterbij gekomen
toonde het besneeuwde landschap ditmaal een bizar ritme van heuveltjes met
daarop zelfs tot boven de bomen uitstekende leeggeblazen betonskeletten. De komende
uren was Kervin weer helemaal opgaan in deze
ontmoeting, uitzoeken welke stad het was, het stratenplan raadplegend enzovoort.
Dan rolde hij zijn scherm uit om daarop al deze informatie tot in details uit
te pluizen of foto’s te beoordelen die hij overvloedig maakte. Voor het slapen
gaan controleerde hij dan wat hij verzameld had en selecteerde wat waard was om
naar zijn adres te zenden. Later thuis op de horst zou hij nog maanden nagenieten
van wat hij had gezien.
Na uren ploeteren door dichtbegroeide eens straten zaten ze tussen de
resten van wat volgens Kervin een
staalbedrijf was geweest. De besneeuwde roestkegels waren eens hoogovens. In
hun tijd al antiek, had hij voorgelezen en daarom vroeger al als monumenten
voor de eeuwigheid geconserveerd. Maar nu met niemand om zich erover te bekommeren
was de natuur bezig ze te overwoekeren en af te breken. Uit alle gaten en
scheuren sproten struiken omhoog en hier en daar zelfs bomen. Een ervan
had Kervin beklommen om het terrein af te
tasten met zijn camera. Het liefst had hij hem z’n gang laten gaan.
Maar ze moesten verder.
‘Gisteren moeizaam uitgezocht waar ze zitten en nu laten we ons door dit
afleiden.’
‘Man, zeur niet en geniet van ons echte verleden. Hier komen we misschien
nooit meer. Dit mag ik niet missen, die vrouwen voor een keer wel.’ Kervin besliste graag en stellig over wat hij in zijn
hier en nu belangrijk vond en dat was toen net echt even niet hun opdracht. Het
gevolg was dat deze excursie in hun verleden zo uit de hand liep dat ze het
beoogde doel, weer zo’n vermoeiende herberg, moesten vergeten. Die
nacht hadden ze weer eens in tent doorgebracht, veilig en met uitzicht op de
hoogste nog net begaanbare vloer van een naar de hemel reikend skelet. Weer
iets van hun hobby over afbrokkelende trappen rond een verweerde liftschacht en
in de luwte van muurresten een plek zoeken, met boven hen de felle gloed van
sterren en in de verte huilende wolven. Eindelijk weer eens lekker warm in slaapzakken
ongestoord in- en uitslapen en de volgende ochtend gewekt worden door de zon.
Bij het ontbijt had Kervin maar geen genoeg
gekregen van het uitzicht over die vergeten stad.
‘Hier speelde dus die legende, was eens die maatschappelijke jungle
waarin wij mannen geschiedenis schreven. Nu resten slechts deze bakens in het
landschap. Voor iemand zonder wortels in dat verleden zonder betekenis, maar
voor ons dus niet. Wij weten dat en hoe deze tijden hebben bestaan. Rond deze
hoogovens smeedden wij eens onze wapens, walsten wij het blik voor onze bewijsmobiles.
En zij menen deze monumenten gewoon te mogen veronachtzamen. In het zuiden verpakken
ze pre-antieke monumenten zorgvuldig in
plastic opdat ze niet verloren gaan. Maar deze hoogstandjes van onze cultuur
laten ze gewoon vergaan.’ Kervin was haast
pathetisch kwaad geworden. Driftig had hij weer wat opnamen gemaakt vanaf hun
hoge zicht op wat eens een grote stad was langs een rivier met fraaie kades,
met nu grote gaten en verzakkingen. Spoedig zou kolkend water zich daardoor een
weg vreten naar de resten van deze vergane glorie. Dan was ook dat voltooid
vergeten tijd en restten ervan alleen nog zijn opnamen. Samen hadden ze zo,
genietend van de opkomende zon, de tragiek van hun geschiedenis doorleefd.
Het duurde dan ook lang voor ze weer op weg gingen. Eenmaal zover hadden ze
weer alle tijd voor hun beschouwingen.
‘Boeiend, al die verhalen van je, Kervin.
Maar wat gaat er met ons gebeuren, wat is onze toekomst? Wordt die net als van
deze steden, spoelt de tijd ook ons weg?’ Ze gleden op skiën comfortabel voort
over de brede rivier met een stevige wind in de rug.
‘Geen flauw idee. Maar we zijn hier om uit te zoeken en onze huidige positie
misschien wel net zo wordt belaagd. Die moeten we niet laten bederven door wat
die Estrice mogelijk heeft uitgevonden. Burton, nogmaals,
hoe komen wij achter haar geheim? Wat voor slims valt er te bedenken? Met onze
huidige aanpak schieten we geen donder op.’ Ze hadden het er al zo vaak over
gehad. Hoe kreeg je zo’n vrouw aan de praat, over iets wat ze zelf al
niet wilde weten? Met luchtige gesprekken, een beetje uitdagend babbelen en
ze vooral aan het woord laten. Dat was niet moeilijk gebleken; aan zelfverzekerdheid
geen gebrek, maar tot op heden zonder het gewenste resultaat. Waarom zou ze ook
met leken over haar problemen praten? Die tactiek moesten ze vergeten, kon
alleen maar argwaan wekken. Haar notities zien te bemachtigen was waarschijnlijk
een betere optie. Als Y-specialist was ze
verplicht alles te rapporteren of op z’n minst te noteren, dus ook
dit geheim. De code waarachter, als ze die konden stelen. Onbegonnen werk concludeerde Kervin. Zelfs een deskundige als Verna zou
dat niet lukken. Meeluisteren met wat ze te babbelen heeft met haar
huisgenoten of aan de telefoon, dan had je misschien meer kans.
‘Burton, dat is het, je presenteren als een snoepje voor hun hele
roedel, en dan afluisteren!’ Dat moest het worden, besliste hij.’In die herbergen
wordt het niks.’ Toen hun ruzie hierover, hij weer gigolo spelen, was weggeëbd
merkte Kervin plotseling op.
‘Net als ik schrijft ze liever dan ze babbelt. Is je dat die
laatste keer niet opgevallen, die twee aan de maaltijd, en zij geregeld Awat noterend? Ze is een schrijver, Burton.’ Kervin kon ook al krabbelend turen naar de zo op z’n scherm
opgeroepen tekst om daar eindeloos in te knoeien. Praten deed je van nature,
daarom te instinctief en onbewust vond hij.
‘Schrijven laat je nadenken en je woorden wegen. Estrice,
zij is net zo’n woordaftaster als ik. Dus als ze wat te verbergen
heeft... Onthoud dat goed.’
***