pv 2.docx

 

 

 

Afronden op praktisch volmaakt duurzaam

in ascese

en dan verder

 

 

Willem Semeins

2022

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoud

 

3     Een noodwendige afronding.

10   De geschiedenis.

7     De taal waarin we leven.

5     Een evolutie door ons heen.

8     Bedachte samenlevingen.

14   Privaat en publiek kapitalisme.

21   Afronden in ascese.

25   De wereld waarin en waaruit we zijn.

30   De relativiteit van ons weten

32   Kwaliteitsborging.

35   De maakbare samenleving.

41   Mannen, vrouwen en mensen.

44   Aan zet.

57   Op weg naar één wereld.

60   De taal waarin we leven.

76   Aan tafels van tien.

80   En dan verder.

85   Literatuur.

 

       Een noodwendige afronding.

Het verhaal waarin we zitten. Van het bedenken en maken van praktisch bruikbare  materiële middelen die we aan ons toevoegen. Waarmee we ons materieel verlengen. Waarbij al het mogelijke moet mogen. Dat we vervolmaken tot op het uiterste. De honderd in zo min mogelijk seconden. Maximaliseren tot over de grenzen van de wereld waarin en waarui we zijn.  Zodat we naar Mars moeten, het met de aarde alleen het niet redden. Op zoek gaan naar delfstoffen op de maan. Nederland daardoor met te veel mensen, niet meer te huisvesten, dat handen te kort komt, nog meer mensen nodig heeft. Dat door zeespiegelstijging land gaat inleveren. Met een landbouw en veeteelt waarbij de natuur  het voor gezien houdt. Dat steeds rijker wordt. Terwijl steeds meer mensen te kort komen, kinderen honger lijden. En of dat allemaal wel goed afloopt?

Een verhaal dat zich afrondt tot op de grenzen van het materieel mogelijke, het praktisch bekeken volmaakte. Met dan de keuze voor het duurzame, het generaties bestendige. En de keuze voor wie van die generaties. 

De uitkomst van ons denken en bedenken. Resulterend in weten van al het mogelijke van de wereld waarin we. Waarmee we die praktisch bruikbaar weten te benutten, ons materieel verlengen. Wetenschappen hebben die de wetten van het materiële onthullen. En daarmee ook de grenzen daarvan. Tot hoe ver en waarop het praktisch bruikbare zich laat vervolmaken. Een denken en bedenken dat we niet kunnen laten, dat we in essentie zijn. En waarmee noodwendig uitkomen op voor alles het praktisch volmaakte.

Waarbij we ook op de grenzen van ons denken en dat begrijpen stuiten. Dat uitkomt op elementaire deeltjes, die geen deeltjes zijn. Vragen over zonder een antwoord. Een omdat we naar die deeltjes zijn voor altijd.

De wereld naar ons bedenken en maken tot op het praktisch volmaakte. Het product daarbij ontwikkelen tot op z’n eindwaarde. Praktisch bekeken geen zinvolle innovatie meer mogelijk. Met dan de keuze van duurzaam. Het gemaakte zo lang mogelijk mee laten gaan. Heel veel uiteindelijk alles nog maar één keer hoeven te maken. Waarmee we dan uitkomen op het generaties bestendige product. Waarmee we dat verhaal afronden. Een noodwendigheid  die besloten ligt in de wetten, de wil van het materiële, en van wat wij willen. 

Een ontwikkeling die de huidige economie van maken en consumeren, verbruiken transformeert in die van bezitten en dat beheren en behouden. Voor alles wat we aan ons toevoegen en dan bezitten. Economisch te bezien als kapitaal. Waarmee dus het kapitalisme de grote winnaar wordt.

Bezit, persoonlijk en daarmee een privaat kapitalisme. Dat alleen veilig is binnen een collectief. Het collectief kapitalisme van families, elites die het voor het zeggen hebben. Van naties en daarmee resulterend in een publiek kapitalisme, dat van voorzieningen en middelen voor iedereen.  Resulterend in de huidige welvaartnaties, zorgzame samenlevingen.   

Duurzaam bezit dat reikt over de generatie heen die het gerealiseerd heeft, dat generaties bestendig is. Een noodwendige uikomst van ons economisch bestel. Met inmiddels de problematiek van de vererving. De rijken die namelijk het geld hebben om zich die duurzame erfenis toe e eigenen. De starters op de woningmarkt die het afleggen tegen de belegger.

Een vererving die de zorgzame samenlevingen ondermijnt. Het verhaal van Thomas Piketty (1961) De rijken die  steeds rijker worden. Terwijl we op weg waren naar steeds meer gelijkheid. Een vererving van het generaties bestendige door alleen de rijken die de economie van ondernemen verlegt naar die van rentenieren. Voor rekeningen van de niet bezitters, de vooral werkende mensen in de samenleving. Die voor hun bezit moeten lenen. En die bij vererving dat bezit dan weer onteigend zien door mensen met veel geld. Met die afronding binnen het huidige op privaat kapitalisme gestoeld bestel een noodwendige ontwikkeling.

Generaties bestendig bezit, in toenemende mate wereldwijd gezamenlijk gerealiseerd. Dan ook gezamenlijk te bezitten en vererven, een positieve sociaal liberaal verhaal. De meerwaarde van arbeid die de arbeid ten goede dient  te komen. Wat met gezamenlijk vererven resulteert in een publiek kapitalisme. Manifest in het steeds meer gemeenschappelijke bezit van samenlevingen. Openbare voorzieningen, publieke middelen, nutsbedrijven, instellingen voor wetenschap, onderwijs, gezondheidszorg. Voor al het generaties bestendige en voor iedereen essentieel verder uit te bouwen. Voor plek en middelen om te wonen, het eigen initiatief, energie, verkeer, communicatie. Overheden die dat steeds meer tot hun taak krijgen, of ze willen of niet. Het privaat kapitalisme dat met het collectief kapitalisme voor de oude dat steeds meer die kant op gaat.

Een publiek kapitalisme dat leidt tot een bezit voor iedereen. Met het  rendement op dat kapitaal dan als basisinkomen. Niet meer hoeven te kopen, daarvoor moeten lenen, huur betalen. Een bezit eenmaal gefinancierd dan alleen voor de kosten van beheer en behoud, B en B. Door bedrijven te verzorgen. Aansluitend op de huidige wijze van bedrijfsvoering. Voor zover onderlinge concurrentie zinvol blijft. Nederland met het beste drinkwater heeft dank zij uitschakeling van de nadelige effecten daarvan. Die noodwendige afronding op praktisch volmaakt duurzaam die daarnaar tendeert. Met als obstakel de ideologie van alleen privaat kapitalisme en zo min mogelijk overheid. Dus in een andere manier van denken en bedenken over de economie gaan leven.

Op weg naar eens alles al hebben, bezitten. Voor alleen de kosten van beheer en behoud. De woning eenmaal op eindwaarde en afbetaal, optimaal duurzaam en energiezuinig, die nauwelijks nog kosten heeft. Mensen met zo’n een eigen woning die al heel goedkoop wonen. Wat met een collectief bezit van woningen voor iedereen mogelijk is. Dan geen huursubsidies meer nodig. De sociale woningen ontwikkelen tot een nationaal bezit van voldoende woningen. Een collectief bezit financieel te verrekenen met het privaat bezit van woningen. Dat in concurrentie daarmee allen nog te verhuren voor circa die B en B.

De elektrische auto op eindwaarde en generaties bestendig die nooit een goedkoop tweede hands wordt. Goedkeen auto en geregeld eens een andere mogelijk met collectief bezit ervan. Met kosten als er mee wordt gereden. Circa die B en B plus de kosten van energie Dan veel minder auto’s nodig zijn. De auto-industrie die het dan gehad heeft. Auto’s die van vooral rijden. De steden bevrijden van stilstaand blik. De werkgelegenheid daarvoor die zich verlegt naar beheer en behoud.

Publiek collectief bezit dat bij vererving binnen dat collectief blijft. Waarop privaat bezit niet kan inbreken. Dat het generaties bestendige over komende generaties tilt. Nederland dan niet meer in de uitverkoop. Buitenlandse kapitaal dat nu nog vrij daarin kan beleggen om het duur te verhuren.

Inmiddels miljarden nodig om niet in de kou te zitten. Even in de aarde zit een bron van onuitputtelijke warmte. Aan te boren en met een warmtenet te verdelen. Tien jaar geleden miljarden  daaraan besteed, en we zaten nu niet in de kou. \ Betaald met publiek kapitaal voor alleen de kosten van beheer en behoud van dat systeem. Door de tijd heen af te schrijven.

Werd over gelaten aan de markt. Nog volop in gas en olie. Die windmolens als perspectief ziet. Inmiddels al goedkoper dan kolen. Maar dan met gebrek aan plek e het monopolie daarvan. Dus altijd schaars en daardoor duur. Blijvend leuk renderen met daarin geïnvesteerd kapitaal. Publiek voor alleen de kosten van B en B.

Kerncentrales. De markt durft ze niet aan. Ze moeten gegarandeerd veilig zijn, niet te maximaliseren met minimale middelen. Met windmolens alleen redden we het niet. Alle centrales kerncentrales en we hadden de huidige klimaatcrisis niet. En aanzien minder vroegtijdig sterven door vervuiling van de atmosfeer. In Nederland geschat op 60 000 mensen per jaar.

Per dag levert de zon de energie wereldwijd per jaar nodig. Heel verdeeld en daardoor lastig te winnen. Met zonnepanelen, liefst in landen met veel  zon. Landen met nu nog vaak bedenkelijke regimes. Wordt op lange termijn misschien wel dé oplossing van dit vraagstuk. De menselijke beschaving. die eens begon met de beheersing van vuur, energie. In toen nog gelijkwaardige samenlevingen. Publiek daarin investeren en we komen daar weer op uit.

De afronding in transitie, van wat gaat het worden en hoe daarmee verder. Urgent de klimaatcrisis. Die bedwingen met groene energie. Wat niet gaat lukken!? De gevolgen van z’n maximalisatie met kringlopen zien te beheersen. De groeiende ongelijkheid temmen met een publiek kapitalisme.

Met het heersend privaat kapitalisme dan levensgroot in de weg. Dat zich van al deze gavaren wel weet te vrijwaren. Dat gestoeld is op maximalisatie, continue groei van de economie. Gebaat is met ongelijkheid. De kapitaal intensieve tuinbouw dank zij de goedkope arbeid uit arme landen. De rijke wijken die voor hun personeel niet zonder sloppenwijken kunnen. Ze met openbaar vervoer, kabelbanen toegankelijk maken.

Een kapitalisme altijd met geweld in stand gehouden. Begonnen met dat van de roofridder, de met wapens sterkste man. Met de vrouw als rib uit z’n lijf. Onmisbaar maar wel dienstbaar te houden. Geld dat het sterkste wapen werd. Financiële centra die het boven schot houden, vrijwaren van collectieve lasten. Dat gebaat is met autoritaire regimes. De op gelijkheid gerichte  democratie niet ziet zitten. Die inmiddels probeert te ondermijnen. De verkiezing die gestolen is. De oligarchen die de oorlog niet meer schuwen, die tegen vooral gewone burgers.

De wereld van alfamannen. Waarin de meeste mannen dat niet zijn. Die met de vrouw in opmars op hun retour zijn. Met als reactie steeds meer mannelijk vertoon met snorren en baarden. Haardracht dat vraagt om een kapperscultuur. Waarin vooral vrouwen heel goed zijn. Vertoon in landen waar dat met baarden moet vaak geaccentueerd met wapentuig.

De toegespitste obsessie man of vrouw te zijn en alles daar tussen in. Het ‘mens zijn’ dat in de verdrukking raakt. Mogelijk door in een taal te leven, daarmee te kunnen denken en bedenken. Door te kunnen en willen lezen. Verloedering van onderwijs dat mensen reduceert tot vooral een praatgraag dier. Met vooral eigen meningen. Op vrije media geuit om het hart te luchten. Dat soms ontaardt in verbaal geweld. Fysiek geweld uitlokt. Mensen die bedreigd worden,  vermoord, die niet meer zonder beveiliging kunnen.

Meer ‘mens zijn’ Door in een taal gaan leven, denken en bedenken. Een taal te ontlenenaan de geschiedenis van ons mens zijn.

 

 

 

 

 

       De wereld waarin en waaruit we zijn.

Die we inmiddels begrijpen als het product van evolutie. Naar het mogelijke, de wil van het universum. Die begon met de oerknal, het ontstaan uit niets van iets, materie en energie, ruimte en tijd.

Die knal, start resulteerde in een ruimte met sterren en planeten waarop leven mogelijk was. Op aarde de vele soorten planten en dieren. Door de evolutie afgerond tot op  het praktisch volmaakt voor overleven. Beperkt tot het daarvoor zinvolle. Een uiterste in ascese. Vleugels waarmee vogels perfect kunnen vliegen De snavels volmaakt toegesneden op wat ze pikken. Leeuwen met de klauwen en kaken om snel te kunnen doden. De ogen nachtkijkers.  Duurzame middelen voor de tijd van hun leven. Die één gnoe gevangen het daarbij laten. Die hun vermogen te doden niet maximaliseren. Als ze dat verliezen het voor gezien houden. Tenzij  ze mogen mee-eten met anderen. Die daarom graag in roedels leven en jagen.

De evolutie van de soorten naar het verhaal van Charles Darwin (1809-188). Het toevallig sterkste, meest volmaakt dat overleeft. Allen de witte beer op de witte sneeuw van de Noordpool De bleke mens in het hoge noorden met weinig zon.

De evolutie die daarbij dus gaat tot op het uiterste. Die al het mogelijke benut. Ogen ontwikkelt om te zien, oren om te horen. Trekvogels met gevoel voor aardmagnetisme. Een brein om deze data verwerken, daarmee de wereld te beleven.

Een afronding van dat leven in kringlopen. Planten die dierlijk leven mogelijk maken en omgekeerd. Een dynamisch evenwicht met eten en gegeten worden, nemen en geven. Met z’n vette  en magere jaren. Veel te eten dat leidt tot veel eters. De gebruikelijke cycli in de natuur. De mensheid in de fase van het leegeten van z’n aarde.

Bacteriën, schimmels, wormen die de dood weer dienstbaar maken. Grazers die de steppen open houden. Roofdieren voor het behoud van ook bossen. Een ecosysteem dat zich zo afrondt tot op het daarvoor praktisch volmaakt mogelijke en in ascese. Zo duurzaam mogelijk. De krokodillen die er al vele miljoenen jaren zijn. Als soort een eindwaarde in die afronding.

Dierlijk leven dat met waarnemen z’n wereld ging beleven. Een brein kregen om daarop te reageren. Toeslaan, vluchten, kansen grijpen. Ervaringen op doen en die opslaan, leren van het leven.Fossielen van de eerste soorten die al een holte voor een brein verraden. Ons eigen brein met daarin ook de beleving van ons zelf. Een bewustwording daarvan en daarover gaan  denken en bedenken.

De evolutie die daarmee in het tot dan toe blinde materiële een immaterieel fenomeen introduceert. Dat daarin ziende wordt en mogelijkheden ontdekt om die te beïnvloeden. Naar wat het leven wil. Waarmee de evolutie mede daardoorheen verder ging.  

Het brein dat we inmiddels begrijpen als een soort computer en met algoritmen en geheugens. Waarmee die beleving oplicht en die dat denken en bedenken mogelijk maken. Waarmee we leren leven. Een immaterieel iets. Dat niet dat materiële van ons lichaam is waarin het oplicht. Net als licht van een lamp dat niet die lamp is maar straling.  Dat wij mensen beleven als onze essentie, ons bewust er zijn in de wereld, als onze ziel. Een ‘ik denk en dat ben ik’.Een immaterieel fenomeen, dat een lichaam heeft en dat beheerst. Met wel weer z’n inspraak via instincten en hormonen. Met het idee van vrij daarvan te bestaan en een eeuwig leven gegeven. Chirurgen die het voor een operatie even uitschakelen. We dan even die blinde en niets belevende materie zijn. Het waarschijnlijke lot ook van onze ziel als ons lichaam het laat afweten.

Een denken en bedenken waarmee de evolutie verder kon. Waarmee wij de natuurlijke inmiddels overspoelen met een culturele. Een evolutie door ons heen naar wat mogelijk is, naar de wil van het materiële, en naar wat wij daarmee willen. Waarbij wij wel weer zijn naar de wil van dat materiële.

 

       De taal waarin we leven.

De evolutie die met dat fenomeen van beleving uitkwam op de wil van het leven, daardoorheen verder ging. Naar het daarmee ontluikend denken en bedenken. Vogels die nesten gingen maken. Dieren die materiële middelen aan toevoegden. Die zich materieel gingen verlengen met bedachte gereedschappen. Het ontstaan van het materiële naar de wil van het leven.

Dat geheugens ontwikkelde en daarmee ervaring, ging leren van het leven. Dat daarover ging communiceren met soortgenoten. Daarvoor talen ontwikkelde, met geluiden, gedrag. Dolfijnen die zo samen kringen van zand in het water opwierpen om vissen te vangen. Bultruggen die samen gordijnen van bellen rond scholen vis blazen. Roedels leeuwen, wilde honden die overleggen hoe hun prooi in te sluiten. Mannetjes die met geluiden, gebaren, bouwsels vrouwtjes lokken. De natuur die vol met geluiden is. Die dieren verstaan. Waarmee ze gingensamenwerken.

Die in talen gingen leven. Voor overleg en samenwerking. Met ook de mogelijkheid van daarin te gaan denken en bedenken. Steeds meer van zichzelf bewust worden. Klanken die woorden werden, verhalen over vroeger, ervaringen. Met zinnen die ze verbinden tot talen om met elkaar te praten. E met zichzelf, te kunnen denken en bedenken. Wat evolueerde tot de praatgrage soorten. Die zich daarmee gingen onderscheiden. Steeds beter leerden denken, bedenken, en kunnen maken.

Geënt op de soorten met vingers. Met hoeven vooral hard kunnen lopen en trappen. Klauwen die zich alleen lenen voor grijpen. Waar evolutionair niet veel meer mogelijk is. Vingers die maken mogelijk maken. In aansluiting op dat denken en bedenken. Die kunnen tekenen, schilderen, muziek maken, en zo gedachten kunnen schrijven. Om verhalen door te geven. De soorten die werden naar hun geschiedenis, de mensachtige genoemd.   

Waarmee daardoorheen dus een evolutie. Naar wat met dat denken en bedenken en die vingers mogelijk bleek. Het maken van vuur, gereedschappen, kleding, onderkomens, wapens. Structureren van gemeenschappen. Ontwikkelen van eigenwaarden voor het zijn met dat bedachte,  het weten te gebruiken, er mee te exciteren, er zijn. Waarmee de mens gemaakte, de culturele wereld ontstond. Die de natuurlijke inmiddels overspoelt. En of dat verhaal wel goed afloopt?

Een evolutie naar ons denken en bedenken. Het daarmee vergaren van kennis en ervaring. ‘Cogito, ergo sum, ik denk dus ik ben, de enige zekerheid die we hebben’. Door  René Descartes (1596-1650) bedacht.  ‘En wat heeft mijn denken met de realiteit te maken’? De bewustwording van de relativiteit van ons denken. Wat zijn onze verhalen waard?  Zijn ze te verantwoorden? Met ons weten ontstond tevens een geweten.

De mens die zich primair beleeft als een ‘ik denk en dat ben ik’.Voor iedereen een vanzelfsprekendheid, het er zijn. Die we beleven als onze essentie. Immaterieel en daarmee niet aan natuurwetten, de wil van de natuur  gebonden. Ik heb een lichaam maar dat ben ik niet. De beleving van vrij zijn.

Waarbij onze lichamelijkheid ons wel weer kleurt. Met onbewust willen, gevoelens, verlangens. Dus toch weer zijn naar de wil van het materiële.  

Denken en bedenken waarmee we ‘mens zijn’ In de taal waarin we leven. Kinderen waarin na enige jaren vertellen van verhalen dat mens zijn oplicht. Dat uit blijft als dat vertellen uit blijft of niet aan slaat.

De taal waarmee elk mens uniek is. Z’n woorden die voor elk mens hun eigen vanzelfsprekendheid hebben, persoonlijke belevingen zijn. Waarin men al of niet gelooft. Die zelf te verantwoorden zijn. Wat ieders leven, z’n existentie bepaalt. Met de angst voor die verantwoording. Het langs elkaar heen praten bij te grote verschillen in het begrijpen van woorden. Mensen waarmee niet te praten valt.

De taal die altijd verkregen wordt van het collectief waarin geboren en getogen. En daarmee naar z’n verhaal, geschiedenis. De mens naar tradities en geloven. Waarin die zich al of niet thuis  voelt. Landen die ze dicteren en verplichten.

De taal waarmee alles een verhaal is. Als antwoord op onze vragen. Gezien die  relativiteit van elk antwoord weer een vraag. Geef me je vragen dan krijg je de mijne. Met de natuurlijke vanzelfsprekendheid van wat we zien, het voor ons feitelijke. Bij nadere beschouwing  niet altijd te begrijpen. Op die manier open staan in de wereld. De natuurwetenschappen die uitkomen op de feiten van niet meer te begrijpen elementaire deeltjes.

De taal om ons samen zijn te ordenen en regelen. Met geboden en verboden, normen en waarden. Onze vrijheid te regelen. Wegverkeer dat niet zonder kan. De rechtsorde, economie naar daarvoor bedachte verhalen, onze geschiedenis. Die we steeds weer  anders beleven, verantwoorden. Daarom steeds weer herschrijven. Om de toekomst beter aan te kunnen.  

Inmiddels een diepzee van verhalen. Digitaal voor iedereen beschikbaar. Al naar men lezen kan, wil, mag. De eigen opgave van het daaruit kiezen en verantwoorden. Daarbij geleid willen worden. Door ouders, leraren, rolmodellen, influencers.

De geschiedenis van vooral namen. Van mensen die het vooral voor het zeggen hadden. Vooral mannen. Gezagdragers, machthebbers, vaandeldragers waar achter men zich vrij of gedwongen schaarde. Vanuit het eigen belang, en het verlangen naar het superieure, onbevlekte reine, sneeuwwitte.  De adoratie van namen, mensen. Die al of niet  deugen.

       Elektronen en magnetische velden.

De voor ons feitelijke wereld die we vooral beleven als materieel, stoffelijk, in essentie korrelig, tot op elementaire deeltjes te ontleden. Inmiddels steeds beter te bekijken. Met lenzen tot op het heel kleine, telescopen het heel verre, en zelfs tot terug in de tijd tot op vrijwel het begin van die schepping.  Het verhaal van de oerknal, het ontstaan van iets uit niets, van ruimte materie, tijd, energie. Dat we steeds beter begrijpen, dat wil zeggen praktisch bruikbaar voor ons weten te maken. En met steeds meer vragen, en daardoor niet begrijpen. De elementaire deeltjes die zich niet meer laten delen.    

Die knal die al snel uit kwam op een ruimte gevuld met wat we materie noemen, vooral waterstof. Materie, met de eigenschap zwaartekracht op te wekken. Een kracht die deze waterstof samenperste in sterren. Waarbij die met voldoende massa de waterstof fuseerde tot nieuwe vormen van materie. Alle naar hetzelfde principe, een positief geladen kern met een daaromheen draaiend negatief geladen  elektronen. Te begrijpen als een soort zonnestelsel, met heel veel leegte.

Waterstof dat bestaat uit één positief geladen proton en één daarom heen draaiend elektron. Dat in die sterren fuseert tot helium, twee elektronen draaiend rond een kern van twee protonen. Bij een gehouden door twee neutronen, deeltjes zonder lading.  En vervolgens steeds meer materiële elementen. Alle naar dat principe van waterstof. Met steeds meer protonen, neutronen en elektronen. Tot op de ruim negentig natuurlijke elementen die wij kennen.

Bij de fusie van waterstof naar helium komt enorm veel energie vrij komt. In de vorm van elektromagnetische straling, een trillend magnetisch veld. Een straling die met de snelheid van driehonderdduizend kilometer per seconde de ruimte voorziet van die energie. De lichtsnelheid genoemd. Licht dat eveneens straling is. De straling te onderscheiden  als radiogolven, die met de lagere frequenties als van licht, en met de hogere de röntgen- n gamma straling.

De fusie die stopt als ze energie gaat kosten. De ster die dan bezwijkt, ontploft. De ruimte dan vult met sterrenstof. Stof, materie die de zwaartekracht weer samentrekt tot nieuwe sterren, vaak weer tot op kernfusie. Sterren met gebruikelijk daar omheen draaiende planeten. Bij deze tweede generatie nu voorzien zijn van deze natuurlijke elementen. Die op gunstig gelegen planeten als de aarde een verdere evolutie daarmee mogelijk maken. Die van de levende natuur. Met energie van die elektromagnetische straling.

Straling inmiddels begrijpen als wisselwerking tussen elektronen en magnetisme. Een magneet die een magnetisch veld heeft, een kracht in de ruimte is. Door die te bewegen wordt energie opgewekt. Die met dat magnetisch veld de ruimte in snelt. Met die lichtsnelheid. Die elektronen laat bewegen. Een feit inmiddels benut voor maken van elektriciteit. De dynamo, een magneet laten bewegen in een stroomgeleidende spoel. Bewegende elektronen die weer een bewegend magnetisch veld opwekken. Elektrische energie die zo is om te zetten in beweging. Toegepast in de elektromotor.

Deze wisselwerking tussen magnetische velden en elektronen die resulteerde in de verdere evolutie van het materiële. Elektromagnetische  straling die de natuurlijke elementen met hun elektronen op elkaar laten reageren. Ze chemisch met elkaar verbonden tot moleculen. Steeds complexer en uiteindelijk resulterend in wat wij leven noemen. Organisaties van materie met het vermogen zich te delen en voort te planten.

Alleen op planeten die zich daarvoor lenen, met vloeibaar water. En met voldoende en ook weer niet te veel straling. Van een ster of een hete kern in een oceaan van water. De ijsmanen waarop we eveneens leven vermoeden.

Leven naar z’n DNA. Een met moleculen geschreven genetische code voor afscheidende cellen hoe zich te ontwikkelen. De evolutie die z’n geschiedenis schrijft. De rondworm die al tachtig procent van de menselijke genen heeft.

Magnetische straling die zo leven mogelijk maakt. Planten die de atmosfeer op aarde daarmee ontdeden van een eens veel te veel CO2. Ze daarbij voorzagen van zuurstof. Het proces van fotosynthese. Zonlicht dat in bepaalde cellen elektronen laat bewegen, elektriciteit opwekt. Die in andere cellen water splitst in waterstof en zuurstof, het proces van elektrolyse. De waterstof die de zuurstof uit de CO2 verdringt en zich verbindt met de koolstof tot koolwaterstoffen, suikers. Met als bijproduct zuurstof. Planten die zo dierlijk leven mogelijk maken. Dieren die zich voeden met die koolwaterstoffen, die ze met zuurstof weer verbranden tot CO2. De natuurlijke kringloop in de natuur.

Straling, een dus bewegende, trillende magnetische kracht in de ruimte. Wisselstroom wordt opgewekt met 50 Herz, vijftig trillingen per seconde. Heeft dus een golflengte van 6000 km, de lichtsnelheid van 300 000 km per seconde gedeeld door 50. De golflengten van zichtbaar licht die variëren van 380 - rood -  tot 750 – violet - nanometer. Die van radiogolven die beduidend lager liggen. Straling met een golflengte kleiner dan 380 nm die gevaarlijk is. Direct zonlicht dat al leidt tot pigmentvorming om de huid daartegen te beschermen.

De wisselwerking van elektronen en magnetisme die het leven voorziet van informatie, van gegevens, data. Met variaties in frequenties en vermogen. Planten, bomen in een bos, waarvan we vermoeden dat ze met schimmeldraden elkaar elektrisch informeren. Dieren die ogen kregen om met die variaties in frequenties van licht te kunnen zien. Materie die wij zien in de kleur die het niet absorbeert. Ogen die wat ze noteren weer elektrisch doorgeven aan een brein. Met daarin dan een soort radio en tv, beleving van wat we zien.

Geabsorbeerde straling die de elektronen van materie laat bewegen. Die daardoor warm wordt en zelf weer gaat stralen, warmte uitstraalt. Doorzichtige materialen als glas die niets absorberen. Glas dat in de zon niet warm wordt. Wat ons tevens laat zien dat materie vooral leegte is.  De lege ruimte tussen die elektronen van niets en de kernen van materie.

Praktisch bruikbare verhalen. Geluid, trillingen en daarmee bewegingen van lucht, energie. Die we kunnen omzetten in elektriciteit. Door een magneet op het membraam van een microfoon daarmee te laten trillen, in een spoeltje. Daarin zo elektriciteit opwekken. Die versterkt weer straling kan produceren, radiogolven. Door een ontvanger op te vangen en weer om te zetten in elektriciteit. Die versterkt het membraam van een geluidsbox laat trillen. Met de frequenties van dat geluid. Het principe van de radio, en ook tv. Al onze zintuigen die naar dit principe werken.

Dieren die voor de verwerking van waarnemingen een centraal zenuwcentrum, een brein hebben. Dat net als een computer elektrisch functioneert, met algoritmen, programma’s voor verwerking en chips voor opslag van data. Die een soort radio en tv in dat brein opwekken. Te combineren met waarnemingen van gevoel en reuk. Met als resultaat verbeeldingen, belevingen in dat brein naar al die gegevens. Elektronen en magnetische velden die dat immateriële fenomeen opwekken. Hun wisselwerking die leidde tot het fenomeen bewustwording, ons mens zijn. De taal waarin we leven die met elektronen in geheugenchips wordt geschreven.

 Een elektrisch functionerend brein, met bewegende elektronen. Dat dus ook weer straalt. Een elektromagnetisch veld met de snelheid van het licht de ruimte in stuurt. Met frequenties naar dat denken. Op te vangen door daarop afgestelde antennes. Mensen die menen anderen aan te voelen. Die soms ervaringen van anderen mee beleven. Dieren die mogelijk op die manier informaties uitwisselen. Elkaar zo voorzien van software, updaten. De hardware, het brein, dat genetisch met DNA te verklaren is. Maar die software? Waarmee  vogels een nest weten te bouwen. De poes die al weet dat het baasje voor de deur staat.

Onze taal, inmiddels ook een kwestie van internet, van stralingen met informaties vanuit met elektronen geladen chips. Geregeld up te daten. Stralend leven dat misschien al vanaf z’n begin ook een vorm van internet had. Wel een these, en dus nog te bewijzen. Maar de evolutie die wel gaat tot op het gaatje van wat mogelijk is.       

De relativiteit van ons weten. 

De evolutie, een spel dus van elektronen en elektromagnetische straling. Maar die fenomenen zelf? Een elektron dat we denken als een deeltje. Maar zonder afmetingen. In feite dus geen deeltje. Dat we zich ook zien gedragen als golven. Zoals die op water. Maar op wat voor water? Magnetische velden, krachten die trillen in de ruimte. Maar wat trilt daar? En wat en hoe is die kracht? Zwaartekracht een heel concreet fenomeen. Waarmee we aan de aarde hangen. Waarvan we de wetten kennen. Heel praktisch bruikbare kennis voor schieten met kanonnen, het lanceren van satellieten. Maar als fenomenen nog steeds een raadsel. Krachten in het voor ons niets van de ruimte. Die als ze trillen zich bewijst als heel stijf. Die kennelijk wel degelijk iets is.

De ruimte, die met niets begon. Uitdijt met een snelheid groter dan het licht. Die steeds groter wordt, met niets begonnen altijd eindig is. Die geen buitenkant laat zien. Net als een gesloten lijn of vlak eindig is zonder einde. Driedimensionaal rond en gesloten lijkt. Waarin dan net als op een ballon geen rechte lijnen mogelijk zijn. Elk punt middelpunt is.

De snelheid van licht, elektromagnetische straling, die constant is, gelijk blijft als we er mee of tegenin bewegen. Eensnelheid die de tijd blijkt te vertragen. Is gemeten. Ruimte en tijd die met elkaar verweren blijjken. De tijd die begon met de oerknal, met nul. Die geen verleden heeft. Anders immers met een oneindig verleden, van waaruit het heden onbereikbaar is. De voor ons vanzelfsprekende oneindigheden die niet lijken te bestaan.

Allemaal feiten op basis van wat we zien en denken te begrijpen. Die als je ze denkt te begrijpen je ze niet begrijpt. We zitten in een wereld waar we met ons denken niet uit kunnen. Dat maar hebben te aanvaarden. Dat ons denken alleen maar praktisch bruikbare antwoorden geeft. De fundamentele niet aan kan.

 ‘In die diepdonkere diepzee van woorden ze lukraak grijpen en rijgen tot zinnen zonder zin’. De natuurkundige Alan Sokal (1955) die een nepartikel met bewust zinloze beschouwingen opstuurde naar een gerenommeerd academische tijdschrift. Dat gepubliceerd kreeg en vervolgens met veel internationale aandacht en waardering. De grenzen van ons denken en bedenken niet durven erkennen.

De schepping die zich dan ook niet laat begrijpen. Absolute waarheden die ons niet gegeven zijn. Welk praktisch bruikbare verhalen voor ons zijn dat  praktisch bruikbare. Waarmee we ons materieel verlengen. Tot in ons brein. Z’n programmering en werking die we inmiddels begrepen met elektronen en magnetische velden. Dus naar z’n daarmee materiële verlenging. Dat ons denken en bedenken mogelijk maakt en daarmee ons mens zijn.

       Generaties bestendig.

Mogelijk met de  noodwendig afronding van al het materiële dat we maken. Die uitkomt op praktisch volmaakte eindwaarden. Een wil besloten in de wetten van het materiële. Samen met de wil van de vrije markt. Het uiterst mogelijke in ascese. Eindwaarden, kwaliteit beperkt tot wat praktisch is en betaalbaar. Een ideologie die de welvaartstaat mogelijk maakte. Met de globalisering de ontwikkeling van internationale gelijkwaardigheid. Die samen met het technisch, wetenschappelijk mogelijke de wereld op één noemer bracht. Een verhaal dat stuk loopt op de uitkomsten van die afronding.

De vrijheid primair voor het private belang. Dat dan vanzelf ook het algemeen belang zou dienen. Het ondernemen van de een dat door wederkerigheid de ander ten  goede komt. Een verhaal dat met die afronding op vooral bezitten en daarmee renderen vraagt om vrijheid in gebondenheid. Die de vrijheid van anderen niet schaadt. Een vrijheid samen overeen te komen. Met behoud van die persoonlijke vrijheid. Alleen democratisch mogelijk. De gezamenlijke dialoog met hoor en wederhoor van voor iedereen.

Een dialoog volop aan de orde. Met nog de problematiek van willen we met elkaar praten. De littekens uit het verleden. De  autoritaire regimes. Het zich daarom tot de tanden toe bewapenen. Essentieel om te bewijzen dat oorlog geen optie meer is. Oekraïne dat daarom moet winnen. Willen we die dialoog in stand houden.

De dialoog waarmee het private en publieke belang het eens moeten worden over die vrijheid in gebondenheid. De positiever vrijheid die de toekomst open, vrij houdt.

Een vrijheid in gebondenheid met een voor iedereen en gelijk en eerlijk speelveld. Die het verkeer de weg mogelijk maakt. dat zonder niet mogelijk is, tot chaos leidt. Waarin alle partijen, deelnemers zich kunnen vinden. Met onpartijdige instituties om ze te stellen en te handhaven. Voor al ons samen doen volop in ontwikkeling. Met private belangen, waarden, tradities die het levensgroot in de weg staat. Een internationaal verhaal. Met z’n uitwerking tot op de individuele mens. Die daarmee moet existeren, en dat kunnen en willen verantwoorden.

Concreet de ontwikkeling van normen en waarden voor ons samenzijn op aarde . Technische normen, die voor gedragingen, het met elkaar verkeren., mensenrechten en plichten.  Waarmee we haast hebben gezien de uitkomsten van die afronding. Van alles moet mogen en nauwelijks nog gevoel voor ascese. Wat op die manier niet goed komt.

Normen stellen voor alles wat we maken. Dat uitkomt op eindwaarden. Die duurzaam eisen. Op de daarvoor mogelijke kwaliteit. Veel producten die al bestaan uit onverwoestbare materialen. Die te maken moeten zijn als een onderdeel toch verslijten. Daarom zoveel mogelijk standaard. Zodat vervanging altijd mogelijk is. Alle onderdelen beschikbaar zijn voor hergebruik. Daarvoor de nodige kringopen bedenken. Met weer terug naar de maker. Waarmee heel veel producten generaties bestendig te maken zijn. De elektrische auto op eindwaarde die nooit meer een goedkope tweede hands wordt. Wat anders willen kunnen inruilen. Of collectief gaan bezitten met de gewenste variaties.

De fabrieken die maken die hun middelen voor productie eveneens op praktisch volmaakte eindwaarden zien uitkomen. De concurrentie op de vrije markt dat afdwingt. Waarmee  ze zowel ze goedkoop mogelijk en als kwalitatief het beste produceren.      

Normen, bouwvoorschriften voor de duurzame woning op eindwaarde voorschrijven. Het publieke belang dat zich daarmee aan de orde stelt. De eigen woning afbetaald die de kosten van wonen beperkt tot beheer en behoud. Op eindwaarde en met de huidige materialen minimaal. Dat voor collectief bezit van woningen ook mogelijk is. Binnen het collectief van een natie iedereen voor die kosten laten wonen. Door ze met publiek kapitalisme bezit van iedereen te maken.

Het monopolie van plek dat de technische waarde, de bouwkosten van onroerend goed kan vermenigvuldigen. Plek dat op zich geen technische waarde heeft, niet wordt gemaakt maar bezit is. Dat ter plekke plek voor concurrentie uitsluit. Z’n waarde ontleent aan dat monopolie. De winkel in de winkelstraat met een huur waarvoor een veel grotere en betere kunt bouwen. Maar waarvoor ter plekke geen plek is. Die vooral draait voor die huur. Het daardoor af legt tegen kapitaal dat mede van dat monopolie profiteert, daarin belegt.

Monopolies zijn door de marktmeester te regelen wil de vrije markt behouden blijven. Het monopolie van plek is dan ook te elimineren door publiek daarin te beleggen. Zodat waar nodig alleen de technische kosten in rekening worden gebracht. Die vermenigvuldiging ervan uit blijft.

Een monopolie eens ontstaan met de onteigenen van het gemene van de aarde, z’n grond en in veel landen ook z;n bodemschatten. Circa 500 grootgrondbezitters die zeventig procent van Nederland bezitten. Herstel van die commune voor zover nodig om die monopolie van plek weg te werken. Voor de bouw van woningen, persoonlijk ondernemen, herstel van de natuur, de voedselvoorziening.

Landbouw en veeteelt in Nederland, vooral een verdienmodel voor kapitaal leuk renderend door hardwerkende boeren,gecombineerd met goedkope arbeid uit arme landen van Europa. Op troosteloos tractorland waarop vogels niet meer te zoeken hebben. Onder spiegelend glas waar de nacht niet meer mag. Vooral voor expert. Met inzet van gif en CO2 vervuilend kunstmest. Waarvan duidelijk wordt dat dit zo fout loopt.

Waarbij we ook weten hoe het goed kan, met biologische landbouw  met kringlopen, zonder chemische middelen. Met alleen kansen bij een doorvoor gelijk spelveld in Europa. Te realiseren door op dat niveau de normen daarvoor te stellen. Waarnaar het verdienmodel zich vanzelf daarop aanpast. Veel boeren die nu al dit willen maar dat economisch niet mogen.

De landbouw in de steden brengen, daar waar gegeten wordt. Waarvoor nu geen betaalbare plek is. Alleen publiek te maken voor weer alleen die kosten van B en B. Waarmee de boer een ook directie relatie met de markt krijgt. Een groot deel van nu kostenverhogende supermarkten niet meer nodig zijn. Winst voor zowel de boer als de consument.

Plek voor de natuur die nodig is voor ons voortbestaan. Die met onze cultuur op uitsterven staat. Wat niet goed afloopt. Alleen publiek waar te maken. Met herstel van het daarvoor eens commune van onze voorfamilie. Een deel van Nederland weer terug geven aan de natuur.

Het stedelijk daarmee verweven, die een in- en uitloop geven. Met viaducten die over het culturele heen leggen. Op de fiets, te paard alleen nog wandelpaden en landwegen kruisen.

Plek die in dicht bevolkte regio’s te maken is in de ruimte, de hoogte in. Met vooral beton en staal, milieubelastende materialen. Vooral voor zover nodig dus maar één keer maken en generaties bestendig. Voor plek die de toekomst open houdt door de tijden heen steeds weer anders in te vullen. Dat wat mag kosten, want ook weer die toekomst aanzien geeft.

Monumenten van voltooide verledens. Die van piramides, kastelen, tempels, wereldse en religieuze paleizen. Die in veel steden in de weg staan, veel kosten om ze te behouden. We zijn nu eenmaal dat verleden. Mede omdat ze heel veel kunst en cultuur genereerden. Gekoesterd in musea, die toerisme bevorderen. Een verdienmodel met inmiddels bedenkelijke kanten. Die zien te vermijden.  

Die noodwendige afronding op praktisch volmaakt duurzaam met als perspectief het generaties bestendige. Dat ons maken en consumeren, verbruiken transformeert in bezitten en dat beheren en behouden. Dat resulteert in een over de generaties heen almaar toenemend bezit. Dat mensen steeds rijker maakt. Waarmee het kapitalisme dus noodwendig winnaar wordt. Met dan het verhaal van wat voor kapitalisme? Het huidige vooral private of ook een publiek kapitalisme.

Het privaat kapitalisme dat begon met de onteigening van het eens gemene, de grond, plek om te ondernemen. De roofridders, herenboeren met hun heerlijkheden. Plek waarop gewerkt moest worden. Door niet bezitters. Konden ze de kost verdienen.  Waarmee ook de vruchten van hun arbeid werden onteigend. Alle meerwaarde in de economie daarmee verkregen. Die arbeid ten goede dient te komen. Een sociaal liberaal verhaal. Door het privaat kapitalisme afgedaan met wat die arbeid op de markt waard is. Waar te maken met een publiek kapitalisme.

De afronding die het ondernemen verlegt naar beleggen in bezit. Renderend met een schuldeneconomie. Lenen van geld om bezit te verwerven. Dat bij vererving weer naar vooral het private gaat, die het geld hebben om het zich toe te eigenen. De starters op de woningmarkt die het afleggen tegen de belegger. Waarmee de rijken steeds rijker worden. Het verhaal van Thomas Piketty (1961) Het steenrijke Nederland waarin kinderen inmiddels honger lijden.  De luxe jachten die niet aan te slepen zijn. Zonnige kusten die gemonopoliseerd worden. Financiële centra die het private kapitaal begeleiden naar kapitaal vriendelijke landen.

Met als antwoord daarop een publiek kapitalisme. Dat het eens commune herstelt en de vererving van het generaties bestendige baseert op gezamenlijk gerealiseerd gezamenlijk bezitten én vererven.

Gezamenlijk gerealiseerd dat ook gezamenlijk bezitten en vererven. Een positief liberaal principe. Alles wat we maken dat wereldwijd al het product is van gezamenlijke arbeid. Tot op de vrouw die kinderen krijgt en ze opvoedt. Wereldwijd iedereen naar dit principe dan ook laten delen in dat wat maken. En dat verhaal afronden op praktisch volmaakt duurzaam bezitten voor iedereen.  

Een publiek kapitalisme om dat bezit veilig te stellen. Privaat kapitalisme beletten daarop in te breken met leuk willen rentenieren. Bedrijven die het mogen beheren en behouden. In concurrentie met elkaar. Voor zover die wedijver nog zinvol. En mogelijk Een economie die zich eveneens afrondt en consolideert. Waarin steeds meer bedrijven door die afronding een niet meer in te halen voorsprong krijgen, met generatie bestendige middelen en expertise. Waardoor concurrentie niet meer mogelijk wordt. Ze een monopolie ontwikkelen. En de marktmeester dus moet ingrijpen.

Een publiek kapitalisme om deze gaten in het private te dichten. Waardoor steeds meer mensen in helemaal niets terecht komen. Als basis, vrijheid voor iedereen om iets van het leven te maken. Dat dan weer resulteert in privaat kapitaal. Bij vrijheid voor het persoonlijk gerealiseerde. Mensen die het bij die basis houden en anderen die volop gaan ondernemen. Weer met grote verschillen. Maar die dan het welzijn en de vrijheid van anderen niet in de weg staan.

Grote persoonlijke, private vermogens die mogelijk blijven Die bij vererving verrekend worden met het publieke. Door de tijden heen democratisch overeen te komen hoe. Binnen bedachte perspectieven voor  van een generaties bestendige samenlevingen. Waarin vele generaties verder kunnen.

Geschiedenis.

De menselijke soorten nog als jagers, verzamelaars. Waarbij de soort met talent voor gelijkwaardigheid en samenwerking, de homo sapiens,  winnaar werd. Waarin mannelijk geweld die gelijkwaardigheid nauwelijks verstoorde, dat ook zo niet nodig was. In de wereld toen van overvloed van een nog gemene natuur voor dat jagen en verzamelen. De soort met de cultuur van gezellig samen zijn en doen wat nodig was en waarin je zin had. Een beschaafd, vriendelijk, vredig en gezond leven leiden. De soort die daardoor snel in aantal toenam.

Een vreedzaam samenleven waaraan beschaving een einde maakte. Die met landbouw  en veeteelt om steeds meer mensen te kunnen voeden. Het gemene van de natuur dat daarbij veranderde in het private. Met afgrendeling van plek en daarmee uitsluiting van anderen. Een samenleving werd van bezitters en niet bezitters. Met geweld  te handhaven. Door mannen, de sterkste. Gecombineerd met materiële middelen, wapens. Geweld om het gemene te onteigenen, te ontdoen van anderen. Ze horig te maken en houden. Want er moest nu  wel gewerkt worden in deze nieuwe cultuur.  Einde gelijkwaardigheid en begin van de tweespalt in de samenleving met vrije mensen en de die dienende. 

De in antieke tijden vrije burgers, mannen. Hun land verkregen met het zwaard, Met vrouwen voor het nageslacht, zonen. Dochters voor het netwerken, relaties aanknopen met andere vrije burgers. Ook met zwaarden en dus te vriend te houden. En slaven voor het werk.

De start van het privaat bezitten van het eens gemene, een collectief privaat kapitalisme. Dat z’n leden bestaanszekerheid verschafte, een zorgeloos met het leven kunnen beginnen. Wat we inmiddels voor iedereen willen. Wat zich toen al als mogelijkheid bewees. Maar dat toen met geweld beperkt bleef voor een elite. De toevallig sterke winnaars in samenlevingen. Vooral mannelijk en daarvan weer de alfamannen.

Een bezit dat alleen collectief te beheren en te beveiligen was. De tijden met oorlogen en diplomatie om tot vrede te komen. Koningen die ze te regeerden. Religies die hun macht verklaarden bij de gratie van hogere machten. Ze van normen en waarden voorzagen. Posities van vrouwen en kinderen te regelden. Autoritaire regimes die als gebruikelijk niet zonder religies kunnen. Waarvoor democratie een gevaar is. En met daarin de man als primaat. Tot op heden het geval.

Religies die een eigen leven gingen leven. Zich ontplooiden tot een geestelijk macht. Naast de wereldlijke, en geleidelijk  aan die beheersend. Geen keizer zonder de zegen van de paus.

Het zwaard dat vooral geld werd. Bevorderd door handel. Boeren die hun producten verwerkten om te verkopen. Vaak om hun heersers te kunnen betalen. Handelaren die ze opkochten en handels routes organiseerden naar koopgrage markten. Mensen met geld en expertise, die wisten hoe de hazen liepen. En die daarmee geld verdienden, kapitalist werden. Technieken die het effect van arbeid vermenigvuldigden. Die e industrialisatie inleidden. Als verdere aanjager van dit kapitalisme.

De gevolgen voor samenlevingen van deze ruilhandel met geld, de gevaren van dit  kapitalisme, die Aristoteles (384-322 vCr) al doorzag. Met zijn ethiek voor een goed en deugdzaam leven. Pleidooi voor rechtvaardige prijzen en garanties voor betrouwbare producten. Het idee van de latere gilden. Het materiële zien als middel en niet als doel, zeker niet om zo veel mogelijk winst te maken.

Die de jacht op almaar meer kapitaal, bezit zag ontstaan. En het geld met geld verdienen, rentenieren voor rekening van hen die daarvoor moesten werken. Dat religies later als doorzonde zouden verklaren. Geld, eens bedacht als ruilmiddel, dat een claim werd op de meerwaarde van arbeid. Dat alleen eerlijk is als ze met arbeid, met een tegenprestatie is verdiend.

Het ongegeneerd zorgeloos spelevaren op geknechte samenlevingen. De feodale samenlevingen met steenrijke elites en horigen. In stand gehouden door geld met geld te trouwen. Zo binnen de eigen stand te blijven. Zo nodig met geweld in stand te houden. Een internationaal ingestelde elite. Met overal hun bezittingen. Thuis in alle landen en één taal. In Europa de Frans taal. Mensen die  zich wereldburger voelde.  

De ontwikkeling van steeds algemene welvaart. Met steeds meer bezitters, kapitalisten. Beveiligd met een collectief van de stadstaat, naties. Antieke steden en  musea die verhalen over deze gouden eeuwen. Voor nog altijd een beperkte elite..

De bron voor revoltes, revoluties. De Franse met verhalen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Vrij snel daarop weer gesmoord.

De vrijheid van denken en bedenken die niet te stoppen bleek. Dat die van wetenschappen inleidde. Het denken vanuit alleen feiten en het bedachte proberen te bewijzen als waar. Wat leidde tot de industriële revolutie. De maximalisatie van het menselijk maken. En daarmee de behoefte aan maximalisatie van markten. De arbeiders van Ford die een ford moesten kunnen kopen. Waarvoor bekwame technici nodig waren. Op te leiden en goed te betalen.

De steden met villawijken en die met rijtjeshuizen voor het kleine kapitalisme. Te beveiligen met de natiestaat. Mensen die primair landgenoot, Nederlander werden.

De wetenschappen die de geschiedenis gingen schrijven. Openbaarden wat allemaal mogelijk was. En ook de grenzen daarvan. Het kapitalisme dat nieuwe en ongekende mogelijkheden kreeg. En die tot op hun uitersten ging benutten. Het menselijk maken dat de aarde ging overspoelen. Het licht dar nergens meer uit ging.

Een industrialisatie met eerst nauwelijks nog aandacht voor de arbeid. Met z’n dieptepunten in de achttiende en negentiende eeuw. Het antieke verdienmodel met eigen grond dat niet meer zo nodig was. Vrij kwam voor sport, spel, de jacht. Schapen die beter rendeerden dan boeren. Die massaal naar de steden werden verdreven. Daar aanbod werden van spotkope arbeid.

Arbeid dat wel belangrijker bleef, machines en lopende banden die bediend moesten worden, winkels die personeel nodig hadden. Mensen met geld hun bedienden. Geavanceerde technieken, handel, financiering die steeds beter gekwalificeerde arbeid vereisten. Beter te betalen, Wat leidde tot steeds grotere  afzetmarkten. En continue groeiende economieën.

Een ontwikkeling die het publiek kapitalisme inleidde mket openbare voorzieningen en instellingen. Wegen en openbaar vervoer om personeel op hun werkplek te brengen. Onderwijs om mensen op te leiden. Voorzieningen om ze gezond te houden. Riolering, veilig drinkwater, ziekenzorg. Nutsbedrijven voor ieders welzijn. Om ze te beveiligen en de rechtsorde te handhaven. Op vele manieren weg naar de welzijnstaat met een publiek ondernemen, investeren en daarmee een publiek kapitalisme. De opbloei van zorgzame samenlevingen met bestaanszekerheid voor iedereen.

Waarin vrijheid z’n kansen kregen, die van de individuele burger. Met de problematiek van wat voor vrijheid. De negatieve, het volkomen vrij je gang kunnen gaan, of de positieve vrijheid die die van anderen schaadt. Vrijheid in gebondenheid. En democratie, om die verbondenheid samen te regelen.

Ondersteund door wetenschappen. Samenlevingen met inmiddels voor elk aspect daarvan wel één. Die bewijzen wat praktisch is en werkt. Voor wat we materieel maken vrij eenduidig en direct. Voor maatschappelijke processen wat zich op termijn als praktisch bruikbaar bewijst. Met daarbij het gevaar van wensdenken.

Wetenschappen die niet kiezen, vrij zijn van enige moraal. Wat wel en niet waar mag zijn dat aan de samenleving is, die democratie. Het antieke Griekenland en Rome dat daarmee al aan de gang ging. Die begrepen dat leven onder autoritaire regime slavernij was. Met negatieve vrijheid voor absolute heersers.

Inmiddels de grondslag van de neoliberale. Die ze overlaat aan de markt. Laat iedereen vrij z’n ding doen. Dan maken we wat iedereen nodig heeft. In concurrentie met elkaar en daardoor zo goedkoop mogelijk. Laat iedereen z’n eigen belang na te streven want dan dienen we samen tevens het publieke belang. Scheppen we werk en daarmee lonen om te kopen. Het publieke belang als afgeleide van het private.

Het liberale gedachtegoed. van  Adam Smith (1723-1790). Ondernemen met als doel rijk te worden dat zorgt voor producten, en werk en daarmee inkomen om die producten te kunnen betalen. De universele hebzucht als filantropisch geschenk voor de samenleving. Alle vrijheid voor de negatieve vrijheid.

De vrije markt die dan automatisch alles regelt. Bedrijven die de markt niet goed bedienen, die falen, die worden geëlimineerd. De markt die de economie zo gezond houdt. Schaarste die zich vertaalt in extra winst en daarmee geld om ze op te heffen. Overheden die zich daarmee niet moeten bemoeien. Dit proces alleen maar kunnen verstoren. Het private kapitalisme dat vooral het private belang had te dienen. En dan kwam het vanzelf goed met het publieke belang.

Tevens het einde van de gilde, de garantie van vakbekwaamheid, betrouwbaarheid van producten, een rechtvaardige prijs er voor. Het opzeggen ook van de filosofie van solidariteit, de zorg voor de naasten. Einde eerlijke samenleving naar het verhaal van Aristoteles. In de Middeleeuwen nog in geloofd. Het nu ieder voor zich en God voor ons allen. Naar zijn hogere willen, immers verankerd in de menselijk genen. God zij geprezen. Negatieve  vrijheid, te vrijwaren van dirigeren, reguleren door hinderlijke overheden. Het neoliberale gedachtegoed.

Het miniserie van huisvesting, landbouw dat kan worden opgedoekt. Woningen, de markt. projectontwikkelaars, die bouwen ze wel. Energiewinning als nutsbedrijf?  De markt die met prijsmechanismen vraag en aanbod veel beter regelt. Een te kort aan energie dat die bestrijdt met hogere prijzen.

Een autonoom zichzelf sturend verhaal dat z’n zegeningen bewees met het wereldwijd welvaart voor steeds meer mensen. Concurrentie die dwong te doen wat de markt wil, zo goed en goedkoop mogelijk. Die leidde tot het kwaliteitsproduct, het apparaat dat het altijd doet. Die afrekent met alles wat daarin faalt, en zo de economie gezond houdt. Ontwikkelingslanden met goedkope arbeid die hun kansen kregen met internationale handel. Het verhaal waarmee we één wereld werden.

Een verhaal ook van onorde, niets regelen. Dat geen grenzen kent noch stelt. Maximaliseert tot op de laagste kosten en hoogste winsten, zo goedkoop mogelijke arbeid. Waarin het sterke, het kapitaal wint en arbeid verpaupert. De huidige megasteden met extreme rijkdom en schrijnende armoede. De markt die al het nutteloze  elimineert. Het z’n monoculturen bedreigend natuurlijke uitroeit. Onze voorfamilies, die massaal uitsterven. Het milieu vrij mag vervuilen. Het verhaal van niets regelen.  

Het verhaal van de negatieve vrijheid. Die van het individuele. Dat zich niets van de vrijheid van anderen hoeft aan te trekken. Gericht op alleen eigen doelstellingen, vanuit persoonlijke visies. Met als enige sturing dat ze marktgericht moeten zijn, op individuele koopkrachtige wensen. Waarmee dat verhaal niet goed afloopt. Dat rekening moet gaan houden met de vrijheid van anderen, die niet mag schaden. Een positieve vrijheid in gebondenheid.

Een ideologie die inmiddels overal tegen z’n grenzen aanloopt, die geregeld moet worden. Door  Adam Smith ook al onderkend. Die al pleitte voor een marktmeester. Die wat eens de gilden deden regelde. Met het stellen van normen en waarden voor dit verhaal. En het stellen van grenzen.    Publiek over een te komen met alle belanghebbenden en dus democratisch.

Een bestel van maken en consumeren, verbruiken. Ruim een eeuw goed op stoom gekomen met die industriële revolutie. Dat zich voor al het bestendige afrondt op bezitten en dat beheren en behouden. Een noodwendigheid besloten in de wil het materiële. Het praktische product dat zich tot op de grenzen van de natuurwetten laat vervolmaken. Dan praktisch bekeken uitgeïnnoveerd is. Met dan de keuze voor een praktisch volmaakte duurzame eindwaarde.

Dat we dan niet meer hoeven naken, te hoeven kopen. De afronding van het actuele maken en consumeren. De transformatie van verbruiken naar bezitten. En dat duurzaam  beheren en behouden. Die de bezitters steeds rijker maken, steeds meer kapitalist. Het kapitalisme dat daarmee de toekomst heeft.

Bezit, kapitaal dat dan mede reikt over de generaties heen, dat generaties bestendig is, te vererven is. Dat nu vooral gaat naar bezitters, private kapitalisten. Die het geld hebben om het zich toe te eigenen. Dat op de bank een onveilige notering is. Dat renderend wil beleggen. Een onteigening in aansluiting op die eens met het zwaard. Van generaties bestendige erfenissen.

Voor het overgrote deel wereldwijd gezamenlijk gerealiseerd. Gezamenlijk dan ook te bezitten en vererven zou je zeggen. Mogelijk met een publiek kapitalisme. Vanuit een geloof in een positieve vrijheid en daarmee in democratie.

Het private kapitalisme dat inmiddels resulteert in een steeds minder steeds rijkere mensen. Het steenrijke Nederland waarin kinderen honger lijden. De rijken van overal vandaan die het opkopen.

Een publiek kapitalisme dat leidt tot een collectief bezit. Voor zover dat collectief reikt. Nu nog  vooral de naties. Dat het generaties bestendige tilt over het tijdelijke van de mens heen. Dat beveiligt, zorgt dat privaat geld daarop niet meer kan inbreken.

Duurzaam bezit dat z’n kosten beperkt tot dat voor beheer en behoud, B en B. De bezitter van een eigen woning die goedkoop woont. Wat met collectief bezit ook mogelijk is. De huren van sociale woningbouw, nationaal bezit, die dan niet meer naar hun WOZ waarde, marktwaarde maar op B en B. Overheden die nu mee liften met het private kapitalisme. 

Al het generaties bestendige bezit door de tijd heen gefinancierd dat wat z’n kosten betreft uit komt op B en B. Daarmee opgewekte energie met op zich gemene bronnen en dus gratis bronnen die dat kosten. Als privaat bezit met winst op daarin geïnvesteerd vermogen, over alle generaties heen. Al naar schaarste zo hoog als mogelijk. Als pubbliek bezit dus niet, blijven die beperkt tot B en B. 

De afronding die noodwendig op dat generatie bestendige uitkomt De kosten van de elektrische auto op eindwaarde die voor de bezitter dan dus alleen B en B. Beduidend lager dan van een benzineauto. De kosten van energie met die ook voor alleen B en B die minimaal worden. Auto rijden dan een kwestie van wie ze bezit. Privaat mede te verhuren. Met de concurrentie van openbaar vervoer. te neutraliseren door ook dat te privatiseren. Terwijl met collectief bezit die kosten te beperken zijn tot B en B, autorijden voor iedereen heel goedkoop kan worden. Net zoals dat voor wonen kan. Het perspectief van die afronding op al het generaties bestendige bezit.

Deze afronding die in industrie leidt tot niet meer in te halen voorsprongen op de markt. En daarmee tot een economie met steeds minder marktwerking, concurrentie. Chips, mondkapjes, medicijnen alleen vanuit het verre oosten. Europa dat zich afhankelijk heeft laten maken van Russische gas. Nederland als enige land voor geavanceerde chipsmachines. Dat z’n het beste staal van de wereld maakt. Die expertise laat opkopen. Waarmee dat bedrijf hier mag verdampen. Dat met waterstof generaties bestendig is. Negatieve vrijheid die daarover beslist Europa dat politiek moet beslissen wat ze aan generaties bestendige bedrijven wil behouden en bezitten.

De afronding die publiek kapitalisme tot een noodwendigheid maakt. Willen we collectief, met z’n allen verder kunnen. Met dan een basisbezit en daarmee basisinkomen voor iedereen. Voor wat we zelf blijvend willen beheren en behouden. Het voor iedereen essentiele. Dat dan bij vererving voor het collectief behouden blijft. Alleen democratisch mogelijk. De democratie die bedreigd wordt door al maar weer denken en bedenken vanuit negatieve vrijheid. Van het private belang en vrij je gang kunnen gaan. Kapitalisme met het eigen belang eerst. Een bestel met die afronding dus van vooral bezitten. En dat verdedigen. Naties, collectieven, mensen die zich steeds zwaarder bewapenen.

Het elkaar wantrouwen. Omdat ze anders zijn. De Engels die de Fransen haatten omdat ze Fransen waren, en omgekeerd. Het nationalisme,racisme, oordelen op uiterlijk. Dat mensen vernedert. Het bleke ras inmiddels bang voor z’n behoud. Autoritaire regimes met helemaal geen vrijheid meer. Die beveiligd met goed betaalde huurlingen niet meer weg te krijgen zijn. Media beheersen, hun leugen laten heersen. De door criminelen geleidde landen Waarbij andere hun buit graag wit wassen. Dat buiten schot houden en leuk laten renderen. Samenlevingen waarin mannen vrouwen achter stellen, terroriseren. Waarmee we in een heel lelijke tijd leven.

Vanuit geloof in positieve vrijheid zien te keren.  Met rolmodellen voor hoe het anders kan. Geschiedenis schrijven voor een positieve toekomst.

Het rolmodel.

Nederland met te veel mensen die te veel willen en dat daardoor mensen te kort komt. Een rijke democratie, wel een paar aarden daarvoor nodig heeft, met een veel te grote voetprint. Waarin steeds meer mensen te kort komen, dakloos worden, kinderen honger lijden. Dat een zeespiegelstijging op zich af ziet komen. De jeugd die het in dat land steeds minder ziet zitten. Dat bepaald geer rolmodel is voor een betere toekomst.

Een land met wel heel veel expertise en ideeën van hoe het anders kan. Daardoor met een hoog ontwikkelde en kapitaalintensieve landbouw en veeteelt. Wel alleen voor kapitaal van weet niet van wie en waar. Met goedkope arbeid van elders. Dat grote delen van ons land verglaast. Energievretende kassen voor vooral export, mensen elders. Van bijvoorbeeld tomaten voor de Italiaanse keuken, orchideeën voor rijke landen elders. Nederland dat sterk is in de ITC sectoren. Wel weer me vooral buitenlandse expertise. Academies met buitenlandse studenten.  

Dat zich politiek van dit verhaal bewust moet worden. Publiek moet gaan investeren in z’n toekomst. Om de mensen hier letterlij en figuurlijk boven water te houden. Beslissen wat we wel en niet willen met dit  generaties bestendig bezit aan middelen, kennis en ervaring. Dat zien af te ronden als basis voor alle vooral toekomstige Nederlanders,

En voor onze voorfamilies, de natuur. Waarvoor we een plaag zijn geworden. Die vrijwel uitgeroeid is. We voor een lichamelijk en geestelijk gezond verder  gaan niet missen kunnen.

Waarmee het mensgrensdraagvermogen van Nederland aan de orde komt. Nederland dat met tien miljoen mensen dat ook heel gezellig kan zijn, en dan een stuk comfortabeler wordt, veiliger. Het nu te dicht op vee; te veel dieren leven. Die de gezondheid bedreigen. Kinderen krijgen kunnen verantwoorden. Welvaart en welzijn die dat mogelijk maken. Die dan ook voor alle Nederlanders

Beheersing van het vuur, het begin van de menselijke beschaving. Energie, de voorwaarde van elke welvaart. Waarvan de aarde overvloedig is voorzien. Dat materie energie is. De aarde die inwendig heel heet is en daarmee met gratis energie, Dit vuur dat  elk land lokaal brandende kan en moet houden.

Water waarvan de aarde overvloedig is voorzien. Aardmagnetisme dat beschermt, niet laten verwaaien door zonnewind. Wat op Mars is gebeurd tot daar dat magnetisme weg viel. Immens veel zout water, dat wij zoet willen. Dat eerst moet verdampen en gaan regeren. Het oerwoud dat zichzelf beregent. Bomen die water naar boven stuwen voor verdamping en zo voor regen zorgen. En voor humus, de voedingsbodem voor planten. Een woud gekapt waar het niet meer regent. De laatste buien om die humus op te ruimen. De woestijnen waar eens mensen waren.   

Bossen die we kappen voor de export van eiwitten. In de natuur het nemen en niets terug geven. Te compenseren met kunstmest. En overdaad aan mest. Op termijn einde van een verdienmodel van ons land.

Nederland dat nauwelijks delfstoffen heeft, ze moet importeren. Met kringlopen zien te behouden. Laat zien hoe het kan. Met een publiek te organiseren verhaal.

Nederland als rolmodel, een leuke uitdaging. een positief perspectief voor onze jeugd. Dat mede Europa is. Dat daarin moet zien mee te nemen. Vel Europese landen die daarin al op weg zijn. We zijn niet alleen het land met problemen.

zzzz

       Kwaliteitsborging.

Het praktisch bruikbare vervolmaken. Tot op wat voor de markt kwaliteit is. Dat wat die wenst en kan betalen. Het praktisch bruikbare zo volmaakt mogelijk, en betaalbaar. Het spanningsveld tussen er is geen betere en de laagste prijsgarantie. Al naar bedrijven zich willen onderscheiden, consument hun aankopen kunnen verantwoorden.

Met de overheid als marktmeester, door het stellen van normen. Voor duurzaam, veiligheid, standaard, het maakbare product. De maakbare auto met veiligheidsgordels. Het eerlijke product. Normering samen met geschreven. Door inmiddels de vele nationale en internationale normcommissies. Normen waarmee bedrijven geen moeite mee hebben, zolang het speelveld maar gelijk blijft.

Bedrijven die hun toeleveringen foutloos willen.  Consumenten die garanties willen. Die kwaliteitsborging verlangen. Die te borgen blijkt. Met een norm, recept voor kwaliteitsborging. Voor foutloos produceren. Het nul fouten concept, in de tweede wereldoorlog in de VS ontwikkeld voor de oorlogsindustrie. Aangeschoten wapens waarvan de reserveonderdelen altijd moeten passen om ze weer gevechtsklaar te maken. Door William Edwards Deming (1900-19930) bedacht en ontwikkeld. Die na de tweede wereldoorlog gedetacheerd in Japan en daar vertelde: zo produceren wij. Gingen de Japanners ook waar maken. Waarmee ze de betere auto op de markt brachten. Ook in de VS. Waar ze dit verhaal allang weer vergeten waren. Ze in Europa de Duitse camera’s van de markt veegden. Met zowel beter als goedkopere. Ze de hele wereld bewust maakten van foutloos produceren als mogelijkheid. Inmiddels essentieel voor de internationale toelevering van onderdelen voor producten. Die altijd moeten passen, foutloos moeten zijn.

Foutloos produceren dat nu wereldwijd de norm is. Het product dat het vrijwel altijd doet en daardoor te garanderen is. En niet met controles achteraf, eerst maken en dan weggooien of herstellen wat niet deugt. Maar door op de werkvloer geen fouten meer te maken. Door daar die kwaliteitscontrole te brengen. Alles wat op de werkvloer verkeert gaat meteen melden. En dat probleem vervolgens zien op te lossen. Voor al het rationeel technische mogelijk gebleken. Producties die  daardoor ook zo goedkoop mogelijk worden, immers geen afkeur meer hebben. De alleen  de kwaliteit hebben die de markt wil. De vrije markt met concurrentie die bedrijven dan ook dwingt tot kwaliteitsborging. Ontbreekt die concurrentie  dan is het vaak ook met de kwaliteit gedaan.

Kwaliteitsborging vereist expertise en dus geld om die te kunnen betalen. Daarmee ook tijd, en dus op tijd daarmee beginnen. Bedrijven die daarin falen die we zien afhaken. Het initiatief daartoe is aan de top. Die moet deze mentaliteit uitdragen tot op de werkvloer. Daar immers kan het fout gaan. En moeten mensen bereid en in staat zijn dat te melden. De eigenaar van zo’n probleem die ze dan bijgestaan met expertise om het op te lossen. Die uiteindelijk immers daarmee verder moet.

Fouten die te relateren zijn aan de vier M’s: mens, middelen, methode, materialen. Middelen die beter onderhoud behoeven, nieuwe materialen die om een andere methode van verwerking vragen, de mens die moet worden bijgeschoold. Wegwerken van fouten dat geld kost, en almaar met dat proces van borging bezig zijn. Daarbij gaat het primair gaat om de chronische fouten, die continu gemaakt worden, dagelijks schade veroorzaken, geld kosten. Die dus te maken hebben met we doen het al zolang, ingeslepen gewoontes, tradities. En daarom soms heel moeilijk bewust te krijgen zijn.

Bedrijven hebben zelf een norm voor kwaliteitsborging ontwikkelt . Die van de International Standard Organisation. Veel bedrijven die eisen dat hun toeleveranciers daaraan voldoen. Die ze daarop ook mogen controleren. Garanties die ze niet voldoende vinden. Gewoon kijken of ze foutloos produceren.

Achteraf dus geen controle meer. De verantwoording voor kwaliteit verleggen naar de werkvloer. Met daar de bevoegdheid om geen fouten meer te laten passeren. Toe te passen op ambtelijk organisaties, de dienstverlening van de overheid?  Die politieke doelen hebben te realiseren, te doen en laten wat  de Tweede Kamer wil. Die klachtenvrij laten functioneren? Algoritmen die inmiddels het werk doen. Ambtenaren die ze laten werken. de uitkomsten controleren. En dan mogen afkeuren? Als ze niet volgens algemene doelstellingen zijn. ‘Dit laat ik niet gebeuren’. Met wel de plicht om dat te melden. Zou moeten kunnen. Moet dan dus wel beginnen bij het management, de politiek. ‘Die Bulgaren die alles tot op de laatste cent zullen terugbetalen’. Dat door de werkvloer waar te maken. De inleiding tot ongekend onrecht. De minister die weg moet, niet deugt. En kwaliteitsborging volgens die internationaal aanvaarde norm? Staat nergens in het regeringsakkoord. 

De behandeling  van klachten brengen tot op de werkvloer, met de bevoegdheid ze daar af te handelen, in feite te voorkomen. ‘Dit klopt niet, doen we niet. Op die mentaliteit beleid voeren en toezicht houden. De verantwoording van producties die daarmee komt op alle niveaus van een producerend collectief.

       De gemaakte  samenleving.

Het verhaal, de wereld waarin we zitten, heeft die plot, een wil? Inmiddels onderhevig aan die evolutie door ons heen. Naar wat wij mensen willen. En die weer  naar de wetten, de wil van het materiële, die ze mogelijk maken.

 Het praktisch volmaakte als een noodwendigheid naar de wereld waarin en waaruit we zijn.  Door  George Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831 al bedacht. ‘Er is een ultieme waarheid, een wereldziel die zich door de tijd heen onthult en waar maakt. Naar een dialectisch proces, waarin contradicties noodwendig leiden tot nieuwe ideeën, en wel steeds betere’. Het idee, de these die z’n antithese bewijst, z’n gebreken en onvolkomenheden. Die leiden tot het zoeken naar een synthese, de eliminatie ervan. Een synthese weer als these met z’n antithese, enzovoort, enzovoort. Die oplossen. Tot op het bereiken van de eindsynthese als voltooiing van dit proces tot op z’n ultieme eindwaarde.

Door hem bedacht voor ons samenleven. Filosofisch bekeken dan ook het einde van de menselijke geschiedenis.  Tenzij ons ‘mens zijn’, ons denken en bedenken  van dat lot is bevrijd, een eigen wil heeft. Wij met ons  zelf de geschiedenis voltooien hebben te verantwoorden. Dat we die opgave niet mogen is afschuiven op een wereldziel. Het verhaal van Hegel dat dan  alleen zou gelden voor die evolutie van het rationeel materieel technische  door ons heen. Naar de wil daarin besloten.

De uikomst van de evolutie die besloten ligt in de wetten, de wil van het universum. Dat Baruch Spinoza (1632-1677) zag als God. ‘Alles in het universum is één,en dat ene is wat wij God noemen. En die ligt besloten in de natuur. Deze werkelijkheid is oneindig en naar zijn wil. Alles, dus ook wij mensen zijn een expressie van die natuur. Zijn onderdeel van dit in wezen goddelijke plan. Hebben daarin dan ook geen vrije wil. We denken wel vrij te zijn, maar zijn ons alleen maar bewust van dat denken en het daarnaar handelen.’

‘ De menselijke rede, de taal waarin we leven die zich maakt naar deze natuur. En niet naar enige menselijke openbaring of profetie. De wil van de natuur die in de mens oplicht. Die daardoor in dat universum aan zet is’.

Een verhaal dat het fenomeen mens zijn herleidt tot een fase, een tijdelijk moment in die evolutie. Die uit is op het goede en volmaakte. God is goed. Maar alleen als wij mensen er voor kiezen. Voor het praktisch volmaakt duurzame en het eerlijke.

Thomas More (1478-1535) die een keuze stelde, die zijn tijd wilde verantwoorden. Bewogen door  de verpaupering in zijn land, Engeland, door de privatisering van de gemene gronden. Waarop schapen beter rendeerden dan boeren. Die verjaagt waren naar de steden en daar bruikbaar voor opkomende industrie. Zelfs goedkoper dan te kopen en te onderhouden slaven. In overvloed beschikbaar. Die als boeren nog beschikten over de meerwaarde van hun arbeid. Die ze met lage lonen eveneens onteigend zagen. Lonen naar hun marktwaarde, en gezien hun te veel net genoeg voor overleven. En zolang bruikbaar, vanaf tien jaar tot hun veertigste, tevens hun gemiddelde levensduur. Een wrede door mannen beheerste samenleving, Met feesten en beesten. Geheiligd voor een religie. Die met als symbool intens gemeen bedacht langdurig lijden. Het kruis inmiddels vervangen door meer humane galgen. En voor de elite het snelle met hakblok en bijl. Later te vervolmaken met de guillotine. 

Dit moet anders en kan veel beter, eerlijker. Door Thomas More beschreven in zijn ‘Utopia’.Een soort christelijk communistisch manifest voor een betere en menswaardiger samenleving. Geïnspireerd door verhalen over indianenvolken, die alles samen deden en deelden. Van toen de mens nog in gelijkwaardigheid leefde op de voor iedereen vrije steppen en wouden. Een simpele en ascetisch gedicteerde, autoritaire samenleving. Zonder persoonlijk bezit en met iedereen sober gekleed, gehuisvest in strik uniforme steden. In voor allen gelijke regimes van arbeid. Met lijfeigenen, mensen die straf verdienden. Uitzonderlijk saai en in wezen nauwelijks menswaardig. Een samenleving waarin hij zelf zeker niet zou passen, die hij mogelijk meer zag als een exercitie voor het  bedenken van betere en eerlijker samenlevingen. Een verhaal dat het bestaande autoritaire bestel niet zag zitten. Dat hem dan ook de kop koste. Het lot vaak van sociale bewogenheid, zelfs tot op heden.

Karl Marx (1818-1883) die ook door die Engelse ellende sociaal bewogen raakte. Die de dialectiek van Hegel betrok op deze noodlotsgeschiedenis van het proletariaat. Mensen gevangen en verpauperd in structuren en systemen naar gewilde machten van bezit en productieverhoudingen. Een fatale antithese, die vroeg om een verlossende these, een uitzicht op een eindsynthese. De volmaakte voltooiing die iedereen uiteindelijk vrij zou maken. De mens als noodlotsfiguur in de evolutie, beschreven in zijn boek ‘Das Kapital’.

Verhalen die verleidden tot het bedenken van vele Utopia’s. En proberen die waar te maken. Waarbij het doel alle middelen heiligde. Met ook de mens als middel, materiaal voor hoger bedachte idealen. Met als eindspel maatschappelijk bedachte nachtmerries. Weer bestreden met genadeloos gewelddadige oorlogen, waarvoor al het mogelijke moest mogen. Met in de hoofdrollen vooral sterke mannen. En voor rekening  van de gewone mensen.

Een verklaring voor de huivering voor idealisme, het idee van de maakbare samenleving. En de voorkeur voor het laisser faire laisser aller, het neoliberalisme met zo weinig mogelijk overheid, sterke mannen. Voor het autonome, de  wil van de vrije markt. Vrij gehouden van menselijk willen. Visies die dan alleen maar verstorend werken.

Wat keuzes voor zich uit schuift. Ons verlost van enige verantwoordelijkheid. Met de mens aan zet in de evolutie een verkeerde keuze. Volgens Spinoza immers onze  opgave. Waar we niet onder uit kunnen komen. Die niet is af te schuiven op een wereldgeest. Die evolutie door ons heen is naar wat wij willen.

Waarmee we veroordeeld zijn tot vaandeldagers. Mensen die ons voor gaan in wat we willen. Die vaak van doordouwen weten, zo nodig met geweld.  Socrates (470-399 vCr) die als gewezen soldaat al wist van het nut van deskundig en daadkrachtige officieren wilde je in de strijd overleven. Zijn leerling Plato (427-247) die vond dat alleen bekwame bestuurders in staat waren hun kinderen daartoe op te leiden. De geslaagde ondernemer die weet hoe economisch de hazen lopen.

Samenlevingen zonder persoonlijke visies die veroordeeld zijn tot autoritaire leiders. Democratieën die dan ook  staan of vallen naar het niveau van onderwijs waarmee die zich ontwukkelen. Twintig procent van de Nederlanders die lezen noch schrijven kan. Kinderen die geen boeken meer lezen. De Tweede Kamer die zich oplost in één dimensionale  partijen.

Samenlevingen in de geest van Hegel met vallen en weer opstaan. De antisynthese al of niet herkennen en erkennen. En dan wel of niet op zoek naar de synthese. Al of niet kiezen.  

Voor wat zich bewijst als praktisch bruibare oplossing. Wetenschappen die  ze inmiddels voor ons aandragen. Voor alle facetten van de samenleving wel één. Die vertellen wat wel en niet kan. Wat de feiten zijn. Met de keuze aan de samenlevingen en de manier waarop die kiest. Waarmee die zich zelf altijd maakt. Ook een feit waar we niet onderuit kunnen.

Het verhaal waarin wij nu aan zet zijn, en waar we op worden afgerekend. Niet in een hiernamaals maar in het heden. ‘Alle schuld wreekt zich op aarde.’ Vrij naar een gedicht van Goethe (1749-1775) 

       Mannen, vrouwen en mensen.

‘Prehistorische mannen die hun vrouwen op de akkers aan het werk zagen, hun kinderen, huisdieren, tuinen verzorgen. De willige akkers van hun zaad. Wachtend tot het eten klaar was en ze konden mee-eten. En alle tijd om zich daarover te verwonderen, te filosoferen. Die concludeerden dat het zo goed geregeld was, kennelijk de wil van hogere machten.’ Uit een les van mijn HBS, van een man. Hoe mannen toen al de man vrouw verhouding zagen, en bevestigden. Het vrouwelijk zijn dat onteigend werd. Toegevoegd werd aan het mannelijk zijn.

Het vrouwelijk belangrijk voor de voortplanting, Waarbij het mannelijk een noodzakelijk incident is. Dat zich met geweld daarop selecteert en zich daartoe beperkt houdt. De bokken, hengsten die elkaar te lijf gaan. De kuddes,roedels van vrouwtjes met een enkele mannelijk.

Het natuurlijke waaraan de menselijke beschaving een eind aan maakte. Die de man primair stelde. Met voorop het alfamannetje, de sterkste. De heerser op de rots, troon, het pluche. De koning die de berg op klom en terug kwam met geboden en verboden van een hogere bedacht daarboven. Heb lief die daar boven door het mijn gegeven gezag te eerbiedigen. Blijf af van mijn bezittingen, vrouwen, en doe wat ik zeg, zij bereid tot elk gevraagd offer. Verder buiten discussie en met de opdracht het te handhaven. Voor discussie naar boven te sturen. 

De vrouwen, uit een rib van de  man,  om daaraan toe te voegen. Die verleidt, hem zondig maakt. De onreine bron van alle kwaad. De gemaakte cultuur voor het mannelijk en vrouwelijk zijn. Tot op in ons heden. Studenten nog steeds filosoferend op dat prehistorische niveau. Vrouwen in veel landen nog vrij te bejagen. De Me Too-problematiek. De man met een woning voor het houden van vrouwen en kinderen, die in een land met naaiateliers en kinderarbeid gebakken zit. Landen met een te veel aan mannen, die bij de voortplanting daarop selecteren. Die meerdere vrouwen hebben. Veel mannen die daardoor niet aan een vrouw komen. Waar daarmee experimenteren verboden is. Gefrustreerde samenleving alleen met geweld in stand te houden. Het straatbeeld met gewapende mannen. Die met veel bidden, geboden prevelen zichzelf in toom proberen te houden. Vrouwen zo nodig stenigen om ze bij de les te houden.

Het dominant mannelijk in onze samenlevingen met daardoor z’n accenten op competitie en geweld. Een dodelijk gevaar, met  bewust moorden, zo nu en dan een oorlog beginnen, z;n geweld achter de voordeur. De wereldwijde onderdrukking van de vrouw vanuit deze bedachte cultuur.

Mary Wollstonecraft (1759-1797) die daarvoor eindelijk aandacht kreeg. Hoe opvoeding en onderwijs hun ontplooiing onderdrukten. Vrouwen die niet mochten  schrijven, schilderen, componeren, Het prille begin van het feminisme, de strijd voor hun rechten,. bevrijding uit de slavernij van huwelijk, verlossing van politiek achterstelling, kerkelijke indoctrinaties. 

Simone de Beauvoire (1908-1986). ‘Men wordt niet als vrouw geboren maar gemaakt’. Naar de cultuur van mannen. We worden vrij geboren en hebben dan ook een vrije keuze. Laten we die vrijheid willen zien en gaan benutten. Vrouwen die wakker moesten worden. Die te veel met dat mannelijk verhaal meegingen. We zijn met die mannen, en vrouwen, niets zonder de ander. Maar de manier waarop naar de cultuur waarvoor we kiezen. Wees daarin vrij.

Schrijfster Virginia Woolf (1982-1941) die zich afvroeg waarom er nauwelijks vrouwelijke schrijvers waren geweest. Vrouwen hadden daar geen geld en eigen plek voor. Geen  tijd ook. Ze werden slechts opgevoed om mevrouw van hun meneer te zijn.

Chromozomen dicteren met XX het vrouwelijke lichaam. Eén poot daarvan geamputeerd, XY, en ze maken het mannelijk. Beide met materiële  verschillen, uitwendig en inwendig, en met hormonen. Die zijn zoals ze zijn en niet te veranderen. Die ons leven kleuren. Voor ieder mens op eigen wijze. Waarmee die zich als man of vrouw beleeft al naar waarvoor die woorden staan. Maatschappelijk worden bedacht. Het man -vrouw verhaal als een cultuurverschijnsel

Persoonlijke keuzes, binnen het collectief waarin men is. Waarin men met een M of V in het paspoort niet vrij is. Een keuze beïnvloed door de constante behoefte aan seks de menselijke soort eigen. Die z’n inkleuring vereist en uiterlijk vertoon.

Het van oorsprong dierlijk gedrag van besnuffelen en betasten, dat vrouwen niet meer willen. Mannen die elkaar opzoeken om te het gevecht dat we niet meer tolereren. De oorlog met z’n mogelijkheden van heldendom die we vrezen. Mannen en vrouwen die mensen moeten worden.

Toekomstige vrouwen, voor het beheer en behoud bijeen, de mannen in competities van bekvechten tot levensbedreigend, daarover filosoferend, die besloten ……… Cultureel dan heel andere vrouwen. Wel nog steeds belast met het huishouden, nu ook van de samenlevingen.  Een kanteling in die man - vrouw verhouding. Of op weg naar iedereen steeds meer mens zijn en daarin vrij van z’n materiële basis.  

       Aan zet.

De beleving van vrij te existeren. Daarmee ook het idee van aan zet te zijn in de evolutie, die te kunnen maken. Met ons vrij gedacht denken en bedenken.  Dat helemaal niet zo vrij is. Is naar de taal waarin we leven. Die weer is naar het verhaal van de mensheid.

Een verhalen dat vanuit ons existeren voortdurend op de tocht staat. Vanuit daarmee bewust geworden en willen te verantwoorden  feiten.  Zoals of het met de wereld waarin we leven wel goed komt? Dat we op de rand van de vulkaan balanceren. Dat we moeten leren leven vanuit de realiteit. Die met steeds beter kijken te onthulden, begrijpen is.

Wetenschappelijk leren denken. Proefondervindelijk bewijzen wat waar is. Vanuit waargenomen feiten. Met technische middelen als lenzen steeds beter kunnen bekijken.  De ontdekking van de wetten van de natuur ontdekken . De appel die valt. En dan de vragen waarom, waardoor? Newton (1643-1727) die zo kwam op de zwaartekracht. De kracht waarmee we aan de aarde hangen. Die daarmee z’n onder en boven kwijt raakte. Galilei (1564-1642) die met telescopen de aarde rond de zon zag draaien in een eindeloos heelal.

Newton die ook de wet voor die kracht wist te schrijven. Waarmee de natuur  te beheersen en voorspellen leek. Maar wat is zwaartekracht?  Elk wetenschappelijk antwoord dat weer een vraag stelt. Waarmee stranden op de finale vragen. Met wel steeds meer praktisch bruikbare antwoorden. Die wet van Newton die zich als heel nuttig bewees.  

Wetenschappen die ons gingen verlichten. Met even de gedachte van eens alles te zullen weten. Die goden dood verklaren. De mens alles bepalend maken. Waaraan die finale vragen een eind aan maakten.

De kloof tussen wat we denken en de realiteit.  ‘Wat zijn de voorwaarden om een ervaring te hebben, te kunnen begrijpen wat we waarnemen, om te kunnen oordelen? Wat zijn de grenzen van ons weten en begrijpen, ons kenvermogen?’ Immanuel Kant (1724-1804) . ‘De toekomst die wij zelf zijn, zowel positief als negatief.’ Geboden kansen pakken of die toekomst gewoon over ons heen laat komen. We zitten in een wereld die bepaalt wat we zijn en die ons aan zet heeft gezet. Waarbij we niet weten wat we zijn, maar wel dat we er zijn. Ons denken en bedenken als enige zekerheid.

Wat is mag niet waar zijn, moet beter. ‘De mens wordt vrij geboren, maar leeft geketend naar de algemene wil van het volk’. Jean- Jaques Rousseau (1712-1778). De mens die niets is zonder de medemens, bestaat bij de gratie daarvan. Zich daarmee dus heeft te verhouden. Op een rechtvaardige manier. Naar een ‘contract social’.  Gebaseerd op de soevereiniteit en gelijkheid van mensen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap. En met die noodwendig van die ketenen van z’n geschiedenis. Ook voor Rousseau naar een hogere wil besloten in de schepping. Waaraan het volk maar heeft te gehoorzamen. Wel te te waarborgen door democratisch gekozen heersers.

Deze hogere wil die was af te leiden uit door de mens heen ontstane kennis en ervaring. Het verhaal van de mensheid. Die hij samen met Denis Diderot (1713-1784) noteerde in hun encyclopedie. Bedoeld als document ter bevrijding van het volk. De encyclopedie die inmiddels op internet staat. Een diepzee van verhalen. In vrije landen vrij te bevragen. Waarin al het actuele weten te vinden is. Maar ook ons waan en wensdenken. Met antwoorden naar wat je er zelf van maakt.

Onze beleving van ‘er zijn’ in een evolutionair zijn. Een materieel zijn met daarin een immaterieel en denkend fenomeen. Voor ieders tijdelijk naar wat er van wordt gemaakt. Het daarmee existeren. ‘Op zoek naar de voor ons geldende, passende wetten. Elk mens begint onbeholpen en moet net als lopen ook leren leven en denken. In de daarvoor gegeven tijd met z’n verdorvenheden’.  Soren Kierkegaard (1813-1855), de vader van het existentialisme, de stroming die de individuele vrijheid, de persoonlijke verantwoordelijkheid primair stelt. Ieder mens is uniek en subjectief verantwoordelijk voor z’n daden, lot en ethos. Zijn reactie op maatschappelijke minachting voor het individu. ‘Is er een wereld apart van de bewuste toeschouwer, en hoe dan? Terwijl die zich alleen daarin manifesteert, naar wat daarvan wordt begrepen’  Zonder zelfbewustzijn is er geen bewustzijn van het zijn. Met dus de vraag wat is dan dat zijn, en dat zelfbewustzijn in dat zijn? Waarom is er iets en niet niets.? 

Vragen die Martin Heidegger (1889-1976) probeerde te beantwoorden. Vanuit dat iets, het daarin zijn, een Dasein, een centrum van handelen in de tijd. Een Dasein dat de dingen primair ziet als gereedschap en die beoordeelt op bruikbaarheid.  Zo dit Dasein maakt tot zinvol en doelgericht, voor de tijd dat ‘Dasein’ gegeven.

Ieders ‘er zijn’ dat op die manier een manifestatie is in de evolutie van het zijn. Heidegger verwerpt daarmee het cartesiaanse dualisme, het naast elkaar bestaan van subject en object. Ontkent de onafhankelijke ziel in de lichamelijke mens, en van een wereld apart van een bewuste toeschouwer.

‘Wat ons tijdperk mist is niet bespiegeling maar passie’. Soren Kierkegaard (1813-1855). ‘En dan niet voor iets  metafysisch, maar voor een waardig leven en sterven. Vanuit de persoonlijke kracht, van binnen uit en naar eigen beleving. Niet naar de rede, het verhaal immers van anderen. Over een te gehoorzamen god, of te dienen ideologie. Of oproepen tot voltooiing van de wil van de schepping. Het denken van morgen, later, na ons komt het van zelf wel goed’. Mens zijn nu naar ons vermogen tot creativiteit. Met kunst, verhalen schrijven. Zonder enige verzanding in eindwaarden of voltooiingen’.

Het zijn en het niet zijn, ‘L étre et le néant’, het thema van Jean-Paul Sartre (1905-1980).  ‘Onze existentie gaat vooraf aan onze essentie, we beginnen zonder doel en definitie. Die krijgen we pas naar het leven dat we leiden en waarvoor we kiezen, dat het beste past bij onze existentie, ons noodwendig bepaald ‘er zijn’. Daarbij zijn altijd vrije keuzes te maken. Waarbij er vaak sprake is van sociale dwang. Maar een keuze valt nooit daarop af te schuiven, is altijd ter eigen verantwoording. Iedereen bepaalt zelf z’n zin voor de samenleving.

‘Wat leidt tot de angst voor die opgave, tot vergetelijkheid om die te ontlopen, tot wanhoop. Omdat we bij die keuzes nergens houvast vinden dan alleen in eigen essentie, naar onze existentie’. De mens veroordeeld tot absolute vrijheid en die zelf z’n lot moeten bepalen. Een voortdurend gevecht tussen obsceniteit en beter willen, gemakzucht en doorzetten, begrijpen en vervreemden. ‘Zo een onrustig ‘niet ding’ los van en buiten het rationeel materiële dingen zijn, in de moderne bodemloze  wereld, op zoek naar dingen voor zelfverwerkelijking.’ Op vele manieren probeerde Sartre zelf ook als bodemloze voet aan de grond te krijgen, door bijvoorbeeld zich te engageren met ideologieën als het marxisme, met verhalen over eigen keuzes en zingeving in zijn vele boeken en geschriften.

‘We proberen zin te geven aan het iets van een op zich zinloze wereld’. De mens als zingevend element in de evolutie ‘in de onredelijke stilte van een absurde wereld’. Albert Camus (1913-1960). ‘We leven zonder iets te bereiken. Als Sisyphus duwen we een steen een berg op zodat die op de top gebracht weer terug kan rollen. Het genie van de mens gedoemd om ten onder te gaan met de dood van ons zonnestelsel. ‘Waarom dan nu al niet zelfmoord plegen? Of moeten we rebelleren, leven tot op het maximale?’ In zijn boek ‘De pest’ doet die mens gewoon wat te doen valt, anderen bijstaan. Daarbij zou zelfmoord plegen een nederlaag betekenen, de ontkenning van de menselijke  existentie, met z’n zowel angst als vrijheid, beide te beleven naar eigen vrije keuze.

Het verhaal van een intellectueel rationele beleving van de absurditeit van de wereld. Waarin overvloedig wordt gezaaid, maar met kansen voor slechts enkelen tot ontkiemen. Het uitzichtloze van mensen die in het hier en nu niet meekomen, werkloos zijn, worden verstoten, vervolgd, gediscrimineerd, geëlimineerd.  De periode tussen de eerste en de tweede wereldoorlog.

Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) De dubbelzinnigheid van de waarneming, de directe en die van de intuïtieve. Iets zien en vervolgens daarbij iets beleven. Begeerte, angst, vreugde. De existentiële waarneming, het van hoe de dingen bewust worden en ze willen verantwoorden. ; De mens die binnen een op zich absurd en zinloos ‘er zijn’, die de vrijheid heeft om z’n bestaan naar eigen ethiek zin te geven. De schepping die op zich geen zin heeft, een hogere wil’.

Een wereld die er voor die perceptie al is en onafhankelijk daarvan. ‘Ons innerlijk ‘er zijn’ dat niet boven of buiten die wereld opereert maar er in zit en er mee is. Veroordeelt tot zelf zin te geven aan die wereld, tot persoonlijk beslissen en verantwoorden’. De wereld primair beoordelen op z’n bruikbaarheid voor overleven en leuk en interessant leven.

Een wereld die daardoor voor ons nooit kenbaar wordt.  Altijd is naar die persoonlijke zingeving en beoordeling op bruikbaarheid. Waarnemen is daardoor altijd geloven en verklaren vanuit de wijze waarop we in de wereld zijn, de taal waarin weleven.

Merleau-Ponty leefde in de tijd van heftig botsende ideologieën; marxisme, kapitalisme, liberalisme, conservatisme. Daarbij wees hij elke absolute waarheid, iedere  stellingname af, zag hij ze alle als betrekkelijk en te falsificeren. ‘Verwerp de noodwendigheid van het dialectisch denken, de wil van de geschiedenis of het bovennatuurlijke. Blijf vragen zoals Socrates. Wat zijn de doelen en de zin van een standpunt, wat zijn de mogelijke middelen om het waar te maken, en naar welke politiek’.

Een beleving van de wereld als vreemd en volop twijfels. Een materiële wereld waarin we zijn, ‘je en suis’. Met al die anderen waarmee we communiceren in de door ons geschapen menselijke ruimte, ‘waarmee we samen zijn’. Ons discours over de dingen, onbepaald ,tot we samen het woord weten, we ze daarmee samen bepalen, zin weten te geven. De woorden van het alledaagse vanzelfsprekende, ‘des parole parlée’. En de woorden die nog zin en betekenis zoeken ‘des parole parlant’. Het samen zoeken naar de taal voor ons ‘er zijn’ in de wereld.

Arthur Schopenhauer (1788-1860) was getuige van de ontreddering van Europa na de slag van Waterloo, van het debacle van de revolutie en het herstel van het feodalisme. De republiek der Nederlanden die degradeerde tot een absoluut koninkrijk. De revolutie was dood en Europa verwoest door rondtrekkende en plunderende legers. ‘Het resultaat van ‘de wil’ die wereld regeert, de weerspiegeling daarin van de chaos van een heelal zonder een god en hemelse verwachtingen. Het leven is kort, maar de waarheid leeft lang. Laten we die dus spreken.’ Zijn inspiratie voor zijn ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’, een boek dat je volgens hem een aantal keren moet te lezen om het goed te kunnen begrijpen.

‘De uitwendige wereld is naar wat onze geest zich daarvan verbeeldt. Een geest die is  naar een ‘universele wil. Die de wereld regeert en onze geest dicteert. Daarbij is ons bewustzijn slechts de korst op ons onbewuste gedirigeerde wil. Een vitale kracht in ons door driften en instincten gestuurd. Wil je iemand overtuigen speel dan in op z’n begeerten’. Het verstand is niet meer dan een uitvoerend orgaan om gewilde verhoudingen naar die kracht met de buitenwereld te regelen. Onze vrij wil is slechts een illusie,’.

‘Onbewust zijn is de natuurlijke toestand van alle dingen. Planten zijn zich nog volkomen onbewust. Met het dierlijke ontwikkelt zich daarop die korst van bewustzijn. De natuurlijke wil van leven is dat zo volkomen mogelijk te leven. Daarbij ook de dood willen overleven, met de begeerte tot voortplanting, van seks moeten. De organen daartoe als tegenpool van het verstand. Die voortplanting bereikt en seks niet verder mogelijk zien velen het als beëindigd, worden mensen levensmoe, dementeren ze’.

‘Alleen in ruimte en tijd lijken we vrije en individuele wezens. Maar in feite zijn we onderdeel van een soort die de ‘universele wil’ in stand wil houden.  Had een in de ruimte geworpen steen bewustzijn dan zou die denken zich uit vrije wil te bewegen. Maar niet in die steen noch in de mens is die persoonlijke wil vrij’.

‘De wereld van deze wil is er een van vooral lijden. Want de begeerte is eindeloos en de bevrediging altijd beperkt, is nooit helemaal naar het verbeelde. Het gewaande ideaal maakt nooit volmaakt gelukkig, introduceert daardoor steeds nieuw lijden, door de prikkel van steeds nieuwe begeerten.  Aristoteles zei het al: De wijze zoekt niet het geluk maar de bevrijding van zorg en smart. Wees dus tevreden met het betrekkelijk goede. En dat eenmaal bereikt, blijft over de verveling’. Schopenhauer had net geld genoeg om zich een arbeidsloos bestaan te kunnen veroorloven, kon zich dus eindeloos te vervelen.

‘Hoger ontwikkelde dieren worden steeds gevoeliger voor smart. Insecten voelen nauwelijks pijn, zoogdieren veel meer. Kennis vermeerdert eveneens smart, maakt gevoeliger voor kwaad en ellende. Daarbij is de gedachte aan de dood pijnlijker dan de dood zelf. Aan het eind van het leven wijs en berustend geworden wacht de almaar naderende terechtstelling. Talmt de dood dan is dat als het spelen van de kat met een hulpeloze muis. Zelfmoord lost dit probleem niet op, elimineert wel de individuele wil, maar niet die van de soort’.

‘Wijsheid kan verlossing bieden. Openbaart bijvoorbeeld  het nutteloze van de begeerte naar het stoffelijke. Hoe het streven naar rijkdom verzandt in te veel overbodig bezit. Beperk dat tot wat je zinvol weet te maken, waarmee je wat kunt doen, dat je opbeurt. Bevredig vooral de geestelijke behoeften, want rijkdom resulteert slechts in verveling, en alleen wijsheid is de ware weg om daaraan te ontsnappen. Hoe beter we onze hartstochten kennen des te beter kunnen we ze temmen’.

‘Het genie is de hoogste vorm van willoze kennis. Manifest in het schone en ware van geniale kunstenaars. Niet kennis maar zuiver voelen weet ons te bevrijden, mooie muziek maakt mensen blij’.

‘’ Het Christendom komt met z’n erfzonde dicht bij de waarheid, het kwaad van die universele wil dat mensen almaar verleidt tot begeren. Oosterse religies laten met hun streven naar onthechting, ultiem in het nirwana, begeerten verdampen. Bieden zo een bevrijding van de soort’. De wereld primair zien als in wezen innerlijk en intuïtief en niet uitwendig en intellectueel. Eens de verlossing voor het rationele westen?

‘De voortplanting is vooral van de schuld van de vrouw, die als ze jong is daartoe verleidt. Welke misdaad hebben kinderen begaan dat ze geboren moeten worden?’ Is de vrouw eenmaal bevrucht en heeft ze haar nest vol dan verliest ze ook haar schoonheid’. Schopenhauer haatte zijn moeder, die na de dood van zijn vader rijk en van aanzien, sociaal volop wist te genieten van haar begeerten. ‘Vrouwen zijn geneigd tot buitensporigheden en moeten dan ook goed in het gareel worden gehouden. En des te minder we met ze te maken hebben des te beter’. Hij bleef dan ook zijn hele leven vrijgezel.

Het verhaal van het klaagzieke en vermoeide Europa, dat met het herstel van de oude regimes al z’n idealen van de revolutie kwijt was. Van de pessimistische cynische en eenzame mens, de verbitterde romanticus die z’n verwachtingen zag verpulveren in afbraak en ellende waarvoor miljoenen het leven hadden gelaten. De negentiende eeuw, een dieptepunt in de menselijke beschaving.  Waarop de volgende zou afrekenen.

Friedrich Nietzsche (1844-1900) die positief bleef, op een niet altijd goed begrepen manier. Wat is het wezen van de mens, wat wil die met al dat praktisch bruikbare van ons weten en maken. De mens tot dan toe vooral middel en materiaal voor vervolmaking van de grote verhalen, van naties, religies, economieën. 

‘De mens, een tijdelijk middelpunt van een eigen beleving in het universum. Voorzien van middelen om van dat tijdelijke iets te maken’. Nietzsche die uitdaagt tot geestelijke zelfgeboorte via zelfkennis tot zelfverwerkelijking. ‘Met iedereen in zich de wil tot eigen vervolmaking, het verlangen naar ‘Übermensch, al het zich verbeelde externe te willen beheersen’. Meester zijn over eigen lot, passies. ‘Der Wille zur Macht’. ‘Bevestig het leven met ja! En niet met een slavenmoraal die religies prediken, met de wrok van de zwakken tegen de sterken. Met het ja van het fysiek sterke van de creatieve elite. Noodzakelijk voor de evolutionaire vooruitgang van de mensheid. Wees in die zin een deugdzaam mens, met grote levensvormen, goed voor de samenleving en de zwakken.’

De actuele samenleving met z’n supersterren in cultuur, wetenschappen, politiek, het vermaak en vertier, de glamour. Van Übermenschen die de ficties over voltooide filosofieën en versteende religies herijken en een nieuw elan geven. De mens als vrij en zingevend moment, zelf te scheppen en verantwoorden.

Zijn vooral geloof in het positieve verhaal. Van Schopenhauer ontleende hij de wil die de mens aandrijft, het idee van de Übermensch van Darwin, dat het sterke overwint. Goed is wat overleeft en slecht wat de strijd opgeeft en  verliest. Een verhaal dat  de zedenleer van vooral goed zijn voor de kudde opzij schoof. ‘Geef de in ieders leven besloten wil alle kansen. De wil tot strijd, macht en daarmee beheersing van de evolutie naar hoger en steeds volmaakter’.

De mens die daardoor ook als wreedste dier wed, voor de natuur en zichzelf. ‘Aan de sterken, een elite om ook die in het gareel te houden’.  De wreedheid als vreugde en verrukking van de mens in de oudheid,  het met genoegen martelen in de Middeleeuwen, de huidige onverschilligheid over het lot van dieren voor de slacht, de mensen in de sloppenwijken. Op sociale media leven in een beerput van bedorven denken. ‘Doe daar wat aan’!

Is de schepping doelgericht, en uit op een ideale samenleving? Volgens Henry Louis Bergson (1859-1941) beslist niet. Hij zag daarin twee conflicterende krachten. Een diversifiërende kracht , die van de materie, de op ‘entropie’ alles uniform gerichte. Het universum dat daarmee uitdijend tot op z’n warmtedood. En een schepende levenskracht, een ‘élan vital’, het leven eigen. Die de materie dwingt tot die evolutie van Darwin en die door ons heen. Die ons stimuleert tot continue innovatie, het almaar willen vernieuwen van wetenschappen, kunsten, literatuur. Het élan vital waarmee we ook zoeken naar onze bestemming.

De entropie die zich manifesteert in dictaturen, die dat élan verbieden, uitroeien. Het anti-intellectualisme dat iedereen op één noemer wil, die van een economie van alleen maar dom rijk zijn en alles hebben. Versus het menselijk élan gericht op onderscheiding in de schoonheid door creativiteit in kunst en cultuur. De economie van welvaart uitgedrukt in statistieken en geld versus die van persoonlijk welzijn en geluk. Het dom weg stom consumeren of zinvol bezig zijn met wat we hebben. Het leven beantwoorden met ja of nee.

       Op weg naar één wereld.

Onze herdenking in mei  van fascistische overheersing, met racisme, deportaties, genocide. Die van eens de Romeinen waarvan we de pijn niet meer voelen. De leider van de Franse bezetting van ons land die overal met egards werd ontvangen. Die ons van land een koningrijk maakte. Het kan verkeren.  Wat we nog steeds vergeten te herdenken

Door de eeuwen heen belaagden volkeren elkaar. De Vikingen die de kusten van Europa plunderden. Zich tot in Italië vestigden. Langs de Wolga slaven oogstten voor het Midden Oosten. De zeevarenden naties van West Europa die verre landen koloniseerden en plunderde. Die de beide Amerika’s aan zich toevoegden. Een zichzelf respecterend land in West Europa dat niet zonder een kolonie kon. Afrika dat werd opgedeeld. De ontwikkeling van bestaande beschavingen die overal de pas werden afgesneden. Het blanke ras dat zich verhief tot het superieure ras. Met de westerse beschaving als superieur, z;n godsdienst als de enig ware. Heel veel littekens die leiden tot herdenken. Waardoor we wereldwijd nog steeds op gespannen voet met elkaar staan.  Ons tot de tanden toe bewapenen

Een geschiedenis waarop we eens trots zijn. De VOC mentaliteit waarmee iets groots werd verricht. Westerse beschavingen die verwoestend werkten, ten gronde richtte, genocide pleegden, racisme introduceerden.

De wereld die daarmee ook op weg ging naar één wereld. Met de opkomst van een wereldeconomie. Voor bijvoorbeeld een product als katoen. Door door Sven Beckert beschreven in zijn boek Katoen (2014).

Katoen duizenden jaren geleden een product in Azië, Afrika en Zuid Amerika, waar de katoenplant groeide. Met zaden voorzien van lange pluizen. Stevige en zachte vezels, die zich laten spinnen tot sterke draden en dan te weven tot fijne textiel. Een prettig te dragen textiel, goed te verven en bedrukken en makkelijk is schoon te maken, te wassen. Geteeld door boeren, die in tijden van weinig te doen het zelf verwerkten voor eigen gebruik, en om te verhandelen. Mogelijk in subtropische gebieden met redelijk wat water. In Europa dan ook nog heel lang een onbekend product en was textiel van wol en linnen.

De productie, het scheiden van het pluis van de zaden, het spinnen en het weven, die zich hadden ontwikkeld in India, het Midden Oosten, China . China met ook een traditie van het weven van zijde. Wat in die landen leidde tot kasten van spinners en wevers. En  kooplieden met geld om hun producten af te nemen en te transporten naar koopgrage afzetgebieden. Een handel die zo de bron werd van kapitaal, vooral van die kooplieden met geld.

Handel die katoen, via het Midden Oosten, ook bracht in Europa, voor verwerking. Duitsers die ze met hun grote en goedkope boerenbevolking strek concurrerend maakten. De Fugger’s  in Augsburg, die zich daardoor konden ontwikkelen tot vermogende bankiers.

Het Ottomaanse Rijk dat aan deze producties een einde maakte. Door de aanvoer van de grondstof, de ruwe katoen vanuit India naar Europa te beletten. Om zo deze productie en handel te kunnen monopoliseren. Brengen ze het niet dan gaan we het halen. Het begin van een oorlogseconomie van de zeevarende naties van Europa. En niet alleen voor katoen. Die met schepen de katoen direct in India kochten en verscheepten naar hun markten. Een handel in eerste instantie vrij en eerlijk. Door handelsmaatschappijen als de VOC steeds meer afgedwongen, vaak met grof geweld. Die buiten hun naties niet gebonden waren aan de thuis geldende waarden en normen. Het private kapitalisme dat zich verenigde met het publieke het geweldsapparaat van overheden. De introductie van een oorlogskapitalisme. De zilvervloot van Spanje die Piet Hein mocht kapen.

Het kapitalisme dat in de ontdekte Amerika’s vrij spel kreeg met genocide en roof. Landen die heel geschikt bleken voor plantages van producten als suiker, tabak, en katoen. Grondig ontvolkt met arbeid van elders. Het begin van een winstgevende slavenhandel. Vooral uit Afrika en betaald met producten van katoen. De wereldhandel met katoen als een belangrijke aanjager.

Engeland een imperium waarin de zon nooit onderging. Met India dat de technieken van spinnen en weven beheerste, met hoge kwaliteit en dus geliefd op alle markten. Een aansporing om zich deze technieken eigen te maken, in Engeland. Waar een ondernemer in Manchester ze wist te combineren met waterkracht. Het begin toen van mechanisatie en industrialisatie. Waterkracht dat stoomkracht werd. Gecombineerd met spotgoedkope arbeid. Dank zij de onteigening van het gemene. En innovatie die een en ander vervolmaakte. Uiteindelijk zo succesvol dat de spinners en wevers in India die deze concurrentie niet meer aankonden. En opgesloten in hun kasten de hongerdood stierven. Onze textielindustrie eens in Twente die eveneens produceerde voor vooral Nederland Indië.

Het verhaal waarmee de wereld wel op weg ging naar één wereld, vooral economisch, technisch, wetenschappelijk. Opkomende landen die daarmee ook aan gang gingen. De westerse die wat achterover leunden. Inmiddels afhankelijk  van die landen. Gebaseerd op het idee van we zijn één wereld en één mensheid. Die met containervloten en vrij vliegen min of meer ook gestalte kreeg.

Met overal nog wel die herinneringen aan verledens. Die herdacht worden, om excuses vragen. Het westen dat in de nieuwe wedloop wat op achterstand raakte. Het blanke, in feite verbleekte ras dat zich bedreigd ging voelen, Met bezinning op hoe verder met dit verhaal. Dat onbeperkt tot alle uitersten gaat. En daarmee met problemen als vervuiling, overbevolking, en veranderingen van het klimaat.

Maar wel nog steeds vanuit nationale visies, belangen en onderlinge concurrentie. Internationale bedrijven, de multinationals die zich binnen dat besstel vrij konden bewegen. Gelokt werden om zich te vestigen. Bedrijven soms met omzetten als van naties. Die resulteerden in immense vermogens. Gezien de afronding op zoek naar beleggingsobjecten. In vooral welvaartlanden te vinden. Hun binnensteden die werden opgekocht. Die hun middenstand daaruit verdreven zagen. Een nieuwe vorm van onteigening, kolonisatie van nationale samenlevingen. Met het geweld van deze grote vermogens. Waarop die naties geen antwoord hebben. Dat dan ook alleen internationaal en dus in collectief verband te geven is.

Politieke visies.

De economische globalisering die leidde tot ook die van de politiek waarop ze gebaseerd is. Het internationaal daarover denken en bedenken. Met dan ook z’n Nobelprijzen, waardering over de  nationale grenzen heen. 

‘Productie van goederen en diensten vereisen een systeem van ordelijke distributie en zelfvoorziening’.  Robert Heilbroner (1918-2005). ‘Een sociale orde veilig gesteld door disciplinering en overeengekomen gedragsregels. En dan ook nakomen wat samen is afgesproken. Eeuwenoud het uitgangspunt voor heerlijkheden, steden, naties met ruilhandel van producten en diensten. Maarverstoord door de opkomst van het kapitalisme met markten en concurrentie van producten en arbeid.  Voor velen verlies van het recht op overleven, door het ieder voor zich en het wegvallen van wederkerigheid. Het begin van een langdurige strijd zowel daartegen als voor het behoud daarvan.

Een Amerikaans econoom met een sombere kijk op deze huidige onorde. En toch ook met een geloof in een betere. Zelfs met behoud van het kapitalisme. ‘We zijn op weg en moeten zoeken naar nieuwe wegen, proberen die te vinden. Met wat we maken en verhandelen.  De meerwaarde daarvan maken tot een culturele waarden. Altijd het product van arbeid. Met als oud liberaal principe dat die meerwaarde de maker, de arbeid dus ten goede moet komen.

De economie met ook arbeid als een product met waarde al naar z’n markt. Waarbij niets te delen valt. Doet de markt immers wel, met prijzen, lonen. Waarmee het kapitalisme de grote winnaar werd. De markt die alles wat economisch faalt elimineert. Geen winst maken failliet laten gaan. De enig juiste moraal. Mensen die niet meekomen, het  zelfde lot. Geen hogere doelen stellen dan het aandeelhoudersbelang. Het gedachtegoed van Milton Friedman (1912-2006). Beloond met een Nobelprijs.

Het neoliberalisme dat gaat tot op het gaatje van wat legaal is. Globalisering  die vrijwel alles legaal maakt. Kwaliteit tot op het gaatje. Kapitaalintensivering plus lage lonen dat al het ambachtelijke elimineert. Europese landbouw  en veeteelt die dumpen, elders kleine boeren van de markt af drukken, kringlooplandbouw belemmert. Landen voor hun brood afhankelijk van import. Maar ook kippenfokkers.

Terug naar antieke ideeën? Die van Aristoteles. ‘Een samenleving moet niet alleen rechtvaardig zijn maar ook eerlijk’. John Rawls (1921- 2002) ‘Die niet funderen op de natuurwetten die mens bepalen, z’n genen en wat die willen. Maar op Kants zuivere rede van de mens en met als ethiek autonomie en welzijn voor iedereen’. Het sociaal contract denken, in de VS het liberalisme, in Europa de sociaal democratie.

‘De mens naar z’n natuur is oneerlijk bedeeld, de mens naar z’n geboorte eveneens. De politiek die daarvoor kiest, die dat ziet als een natuurlijk gegeven, als naar de wil van de schepping of hogere machten, introduceert een economie die alleen de sterke en slimme mensen honoreert, rijken zorgeloos laat leven naast verpaupering’. Rawls keuze voor een politiek die iedereen het recht geeft op autonoom zich zelf zijn naar eigen vrije rede en aanleg. Optimale gevarieerd dus, maar onder voorwaarde dat die autonomie mede die van alle anderen ten goede komt, dat deze ongelijkheid tevens uitpakt in het voordeel van de minder bedeelden.  Het in Nederland betalen voor de verzorgingsstaat, iedereen naar inkomen, mogelijk dank zij die staat. De chirurg die mag rijk worden van de medische pech van anderen omdat we die kosten samen verzekeren. Onderwijs tot op het hoogste niveau en dat geen die talenten verloren laat gaan. Die dus niet naar de natuur maar naar de cultuur waarvoor ratio en rede democratisch kiezen.

Rechtvaardigheid en eerlijkheid zijn niet te scheiden. Talenten en plek van het geboortenest zijn immers nooit eerlijk verdiend. Mogen dus geen morele gevolgen hebben, de rechtvaardigheid van een maatschappij bepalen. ‘Leg bij de bepaling van het sociale contract een sluier van onwetendheid over de persoonlijke willekeur van het lot, maakt dat zo neutraal ten dienste van rechtvaardigheid.’ Ter compensatie van de natuurlijke desinteresse vanuit ieders eigenbelang, ter erkenning van een basiswaarde voor iedereen in de willekeur van het leven, afwijzing van het oneerlijke van de natuur vanuit de menselijk essentie, z’n vermogen tot zuivere rede.

Maar hoe, en naar welke utopie, of zijn we beter af zonder stuurman?  Bewezen  door overvloedige samenlevingen. Die de vrije markteconomie wereldwijd tot winnaar bewijst. Niet zonder problemen, maar met het idee dat democratie ze de baas kan blijven. De vorige eeuw die op weg leek naar een werelddemocratie met een rechtsorde en mensenrechten voor iedereen. Voor heel veel mensen dan ook een boeiende en vaak mooie tijd. Zelfs even bedacht als het einde van de geschiedenis door Francis Fukuyama (1952). Het einde van de geschiedenis, met de ideologie van het kapitalisme als uiteindelijke winnaar. Tot in New York twee vliegtuigen de twintorens invlogen, in 2008 heel onvoorzien een bank omviel, en daarna meerdere.

‘Ben bijzonder geschokt, kan het haast niet geloven. Er moet een fout zitten in onze overtuiging dat de vrije markt zichzelf beter reguleert dan enige overheid’.  De getuigenis van Alan Greenspan (1987- 2006), voor een commissie van het congres in 2008 naar aanleiding van deze kredietcrisis. Greenspan die verantwoordelijk was voor de centrale bank van de VS.

Een bewonderaar en ondersteuner ook van de filosofie van de schrijfster Ayn Rand (1905-!982). Filosoof van het omgekeerde idee van Kant dat altruïsme een deugd is en zelfzucht een kwaad. ‘Door alle eeuwen heen zijn het de Atlassen, de elitaire vrije en creatieve geesten, die de lasten moesten torsen voor het overleven en verheffen van de mensheid. Aan ons de taak ze van die last te bevrijden, opdat ze vrij mogen zijn in waar ze zo goed in zijn’.  Een pleidooi voor totale vrijheid voor die Atlassen. De hele rijken in de VS die het commando daar over nemen.

Geboren in St. Petersburg vluchtte ze voor de ideologie van de Russische Republiek naar de VS. Van plan daar een groot schrijver en denker te worden.  Ontwikkelde een filosofie van het objectivisme, de ideologie van individualisme met als deugd het egoïsme. ‘De natuurlijke wereld is een realiteit en we hebben onze rede om die naar onze hand te zetten, zo te streven naar een gelukkig leven. We dienen te handelen met het oog op ons eigen geluk. Met respect voor anderen, moeten daarbij redelijk blijven, zodat we datzelfde streven van anderen niet in de weg staan. Handelend naar dit principe hebben we dan ook geen andere morele codes nodig. Altruïsme komt dit streven zeker niet ten goede, verleidt slechts tot daarvan afwijken’. Het communisme dat ze daaraan ten onder zag gaan.

Haar verhaal van een ijskoud hyperindividualisme. Dat het politieke debat in haar nieuwe vaderland kleurt. Met haar daar graag gelezen romans. Waarin mensen primair functioneren vanuit hun natuurlijke staat, hun instinct tot overleven. De ‘tea party’ die haar visies predikt. De Republikeinse Partij in de VS die ze bevrijdde van elke vorm van solidariteit. De verkiezingen die gestolen zijn. De rijken die hun belastingen als een vorm van diefstal beleven, die we ze gaan teruggeven.

De samenleving naar hoe de dobbelstenen rollen. Het lot van de mens in het zijn van de wereld besloten. Dat maar hebben te aanvaarden. De mens in die voort tollende evolutie zonder enige  moraal. Het negatief liberalisme met een afkeer voor visies. Met de zegen van de dominante religie.

Terug naar het middelpunt van het heelal, de individuele mens. ‘Met z’n rechten en waarop niets en niemand inbreuk mag maken.’ Robert Nozick  (1938 ). Het individu is volledig eigenaar van zichzelf en van wat het daaraan weet toe te voegen. Omdat dit recht individueel moeilijk is te beveiligen vraagt het  altijd om een contract met anderen om dat samen te garanderen. Beperkt, want alleen om dit recht te handhaven, persoonlijk eigendommen te verdedigen, ieders autonomie te waarborgen. Politiek de minimale staat. Want meer overheid leidt automatisch tot dwang. Belasting laat je werken voor anderen en is dan ook een vorm van slavernij. Mensen zelf laten kiezen voor een beschermingsconstructie die ze persoonlijk het best past en het minst kost. Compounds, enclaves waarin ze veilig zijn. Vrijheid om dit allemaal zelf te regelen, je eigen fort te bouwen en dat te mogen verdedigen. Tegen hen die buiten de boot vallen, zich niet weten te  redden. ‘De Mexicanen gaan zelf de muur betalen.’

De minimale staat gebaseerd op het individuele natuurrecht.  Met nauwelijks plichten voor het gemeenschappelijke. Dit bestel wel op legitieme basis, democratisch. New Orleans in 2005 getroffen door een orkaan. De burgermeester die de publieke bruggen over de Mississippi afsloot om het hoog gelegen rijke deel van z’n stad te beschermen tegen vluchtelingen. Die daarvoor al om geprezen. Pakistan dat onder water staat door welvaart elders. En dat het zelf mag uitzoeken. De vluchtelingen die Europa weigert eerlijk te  verdelen. Nederland waarvoor met de zeespiegelstijging dat verhaal van New Orleans dreigt. De mensen die hoog zitten en anderen te laag.

Hanna Arendt (1906-1975 ) moest als Jodin ook vluchten voor zo’n ideologische ontsporing, de obsessie haar volk te moeten vernietigen, en eveneens naar Amerika. Na de oorlog volgde zij het proces tegen  Eichmann, de uitvoerder van de Holocaust. En noteerde daar de banaliteit van het kwaad, de politiek maatschappelijk bureaucratische onverschilligheid van mensen, die anderen compleet aan hun lot kunnen overlaten, hun problemen bagatelliseren, negeren, ontkennen. Ook hoe dit leidde tot het verzaken van de democratie. De heerschappij van de stem van het volk, die van de wil van de meerderheid, was voor Arendt dan ook een gruwel. De politiek moest zich nooit baseren op ideologieën als socialisme, liberalisme. Maar diende uit te gaan van de pluraliteit van een gemeenschap, het rekening houden met de menselijke diversiteit, met alle minderheden en de gegeven historische situatie. Hoe en met wat voor democratie, dat wist zij niet nader uit te werken. In elk geval weg met de tirannie van kijkcijfers en opiniepijlers, de uitslagen van enquêtes en referenda, de stem van de angst en de roep om verlossing. 

Ernst Bloch (1885-1977).  ‘De mens is filosoof naar hij of zij wil zijn’. Ook hij moest als Jood vluchten, naar de VS. Daar bleef hij utopisch. Zodat hij na de oorlog terugkeerde naar het marxisme van Oost Duitsland. Maar vrijheidslievend blijvend vluchtte hij al snel naar West Duitsland. Waar hij hardnekkig bleef hopen op eens een betere wereld, ‘Wat is kan niet, mag niet waar zijn. De mens als een kraamkamer voor het nieuwe en betere. Met in zich de schemering van de weg naar vooruitgang. Als de werkelijkheid die afdwingt. Zijn denken naar Schopenhauer en Nietzsche.

De hopende mens zich bewust van het nog niet zijn dat moet komen. Daarmee de drijvende kracht in de evolutie van de mensheid. Dromend van warme krachten strijdend tegen de koude. Als filosoof van de hoop wilde Bloch vooral ook lering trekken uit het verleden. ‘Religie is mede hopen en een atheïst is dan ook vaak een gelovige’. Met als kanttekening dat de atheïstische verlichting de kracht van het kwaad had onderschat.

Hij wilde twee utopieën, een sociale en een rechtvaardige. Een die de noden opheft en waarin men gelukkig kan zijn, en een die de vernedering opheft en veiligheid en geborgenheid garandeert. Tot aan zijn dood bleef hij geloven in een soort communisme als omega. Met een accent op fantasie en verbeelding en niet alleen vanuit rationeel wetenschappelijk denken. Een exponent van ‘dit mag niet de waarheid zijn’ en van het willen blijven geloven en hopen in ‘het zal en moet anders en beter.

De geschiedenis herlezen voor de toekomst. En overal mensen die daarin geloven. Dat we eens één wereld hebben.

Daarmee afhankelijk van wie nog leest. Nederland dat z’n leesvaardigheid verliest. Boeken die maar saai zijn. Lekker lui luisteren naar sociale media. Zo maar wat individuele meningen. Met verborgen doelstellingen. Nederland steeds lager op de ranglijs voor persvrijheid. Journalisten die sneuvelen.

De taal waarin we leven.

De taal waarmee wij mens zijn, ik denk en dat ben ik. De taal die verbindt, met het collectief, het verleden. Waar mee we reiken naar de toekomst. Kinderen die pas na het vertellen van verhalen mens worden. Dat uit blijft als niets verteld wordt, kan worden. De taal waarmee we leren leven. Als instrument voor denken en bedenken, of omdat te ketenen. De taal waarmee we praten, schrijven, verbeelden, die van verhalen, kunst, muziek.

Kinderen op het juist gedachte pad houden. Met bijzondere scholen, eigen jeugdverenigingen. Met gebedsmolens die verhalen in breinen vermalen tot niet meer te verwijderen denkstof. Of ze daarmee vrij leren spelen. De vrije academie. De dodenlijsten met wie zich versproken heeft. Het eigen gelijk op media dat geen ander gelijk duld. De almaar herhaalde leugen die waarheid wordt. De doorgeprogrammeerde prater waarmee niet meer te praten valt. De talen waarin velen nu leven, of het daarmee wel goed komt? We daarmee wel verder moeten. 

De taal als erfenis over de generaties heen van waaruit we leven, existeren. Gottlob Frege (1848-1925) die de filosofie de linguïstische wending gaf. Voor ieder mens het ‘er zijn’ in de eigen taal en de daarmee geschreven verhalen. ‘We zijn naar onze nationale verhalen’. De wereld van natiestaten en met moeite, onwil elkaar te verstaan.

‘Een woord, een zin krijgt betekenis, valt alleen te begrijpen naar de taal waarin die gesproken wordt. Maar wanneer is een zin waar’? Denken over anders, beter, in de techniek, de politiek, over wat nog niet is maar misschien eens mogelijk is. Het zomaar wat verzinnen. Het zogenaamd betekenisvol praten over dingen die niet bestaan, maar die we wel kunnen bedenken, zoals de eenhoorn. Kwakzalverij, angst voor straling, het neushoornhoornsyndroom dat neushoorns uitroeit.

Ferdinand de Saussure (1857-1913)  zag de taal als een systeem van tekens met betekenissen waarmee we met elkaar communiceren en denken. Verhalen die ons maken tot betekenisdrager met ons daarin denken. De mens als object bekijken, wetenschappelijk bestuderen, wordt zo het bestuderen van z’n taal. Saussure maakt daarbij een onderscheid tussen de structuur, het gebouw van de taal, de ‘langue’, en het spreken, het ‘parole’, het in dat gebouw met elkaar zijn en er zelf mee verkeren. En dan te bedenken dat we leven in een wereld met talen in vele uitvoeringen, elk met z’n eigen nuances.

De linguïstische wending verlegde de focus van de filosofie van het wezen van de dingen naar het wezen van de mens als denkend wezen. Vooral te bezien vanuit z’n taal binnen z´n collectief. De inleiding ook van de sociologie, de studie naar de relaties tussen mensen in een samenleving naar het discours, van hoe gepraat wordt, de daaruit volgende moraal.

‘Samenlevingen worden bijeengehouden door morele regels.’ Emile Durkheim (1858-1917) Hij zag de evolutie van die moraliteit van primitief naar complex, van gericht op het collectieve naar het individuele. Traditionele samenlevingen stoelden op één moraal voor handelen en denken. Bevestigd door religies en met straffen voor afwijkend gedrag. De moderne samenlevingen kenmerken zich door tolerantie voor het individuele, voor verschillen in moraal, denken, geloven. De cultus van gelijke rechten voor iedereen. Met als probleem de plichten.  De erosie daardoor van samenlevingen. ‘Want met alleen egoïsten geen samenleving’. De huidige zoektocht naar een moraal met rechten en plichten waarbinnen iedereen vrij blijft.

De relatie tussen taal, gedachte  en werkelijkheid. De taal als verbinding daar tussen. De zoektocht daarnaar van Ludwig Wittgenstein (1889-1951). ‘Taal is de waarneembare vorm van ons denken. De logica van zinnen moet een afbeelding, afspiegeling zijn van de werkelijkheid. Alles dat over iets in die zin gezegd kan worden kan helder worden gezegd. ‘En zo niet, dan is het beter daarover te zwijgen’.

De problematiek van vertellen van wat we vinden van de wereld. Zijn verbazing dat die wereld er is en niet niet is. Zijn ogingen tot vernietiging van de westerse metafysicacultuur, het gewaand hogere achter de dingen, een te gehoorzamen buitenmenselijke ethiek.

‘De mens is genetisch bepaald een praatgraag dier. Kinderen leren als vanzelf praten, hebben daarvoor een aangeboren aanleg.’ Avram Noam Chomsky (1928). We beginnen dus niet met een schone lei. Naar het niveau van wat men verteld krijgt ontwikkelt zich ook het brein en daarmee het vermogen tot bewust denken. In het algemeen tot op het gezonde verstand met de vanzelfsprekende aanvaarding van de alledaagse werkelijkheid. De meeste mens die daardoor deugen al naar de samenleving deugt.  

Schrijven, het noteren van denken in tekens met betekenis, maakt de mens bewust van z’n falen in dat denken, van niet anders dan met de eigen woordenschat kunnen denken. De filosoof, wetenschapper, kunstenaar die worstelt met z’n gedachten, als die ze probeert te verwoorden. Dat soms leidt tot nieuwe woorden en daarmee tot de evolutie van de taal.

Claude Levy-Strauss (1908) Culturen zijn naar hun mythe. Die geven samenlevingen structuur, een ‘langue’ voor het actueel met elkaar praten. Met individueel verschillende inhouden, opvattingen, het persoonlijke ‘parole’. Maar wel binnen die gemeenschappelijke structuur . Een structuur die onderhevig is aan een constante evolutie, aanpassing aan de ontwikkeling van opvattingen, kennis en ervaring. De mythe die dan ook niet tijdloos is maar naar opeenvolgende steeds nieuwe paradigma’s, wezenlijk andere visies op een cultuur.

‘Denken van onder af, het actueel gebeuren, de blikseminslagen nu’. De zien van het universele in het toevallige. De enkeling die nieuwe mogelijkheden bedenkt en daarmee die actuele geüniformeerde mythe verandert. Michel Foucault (1926-1984). ‘Wat en hoe is de relatie tussen persoonlijke kennis met die van de heersende machten? Hoe bepalend zijn hun verhalen die we verteld krijgen voor ons denken? Is wetenschappelijke kennis niet meer dan een middel tot sociale controle?’ 

De kennis over waanzin in de achttiende eeuw, toen een motief om iedereen die slecht mee kwam in de maatschappij te weren, op te sluiten en te behandelen als verdoemd. Nieuwe inzichten die gevangenissen de rol van executies lieten overnemen. Het controleren en beïnvloeden van de geest als een beter middel dan straffen.

‘De concepten waarmee we onszelf begrijpen en verantwoorden. Voor wat we vinden dat normaal is, hoe het hoort. Die zijn naar de actuele mythe. En daardoor voortdurend onderhevig aan veranderingen. Die niet gericht zijn op vooruitgang. Maar naar de behoefte van machten om het gedrag van individuen te reguleren en te controleren. De mythes van het nationalisme, neoliberalisme, van dictators, kwakzalvers’. Een pessimistische verhaal, bedoeld om een en ander te ontmaskeren en te veranderen.

‘In de mens vallen de structuren van taal, spreken en denken samen. Elk woord is een verhaal en daarmee verbonden, verweven met de actuele structuur van denken. Het woord bacterie is gekoppeld aan de actuele kennis daarvan, het woord ‘oerknal’ aan de vele opvattingen daarover. De waarheid is de illusie van de filosofie waarin men gelooft. Het idee dat de mens greep heeft op eigen taal, en daarmee een rationeel autonoom denkend wezen is, vergeet het maar’. Jacques Derrida (1930)  Onze kijk op de wereld is altijd subjectief, reikt niet verder dan de actuele taal, de mythe die we hebben meegekregen en waarmee we dan ook hebben te leven. Een mythe die evolueert en dus leidt tot steeds andere mensen.

Een visie die elke objectieve structuur voor die mythe ontkent. Derrida ondergraaft daarmee ook het idee van de mens als rationeel bewust z’n denken beheersend subject. Iedereen is naar de relativiteit van zijn tijd en met z’n mythen. Met uiteraard z’n consequenties voor samenlevingen. Corona dat maar een griepje is. Dat we worden omvolkt. De mens naar de dictatuur waarin die gelooft.

Met voor iedereen het vermogen zich daarvan los te maken, door vragen te stellen en vrij daarvan te gaan denken. Nieuwe visies, ideeën, ficties  te ontwikkelen. Onze gave van de zuivere rede, door Immanuel Kant (1724-1804) gesteld. Denken en bedenken naar eigen ingeving, vrij van het vertelde, de gebaande paden. De mens die daarmee een innovatief moment is in de evolutie. De mens die zich daarmee vrij kan maken van de blinde natuur, een eigen cultuur kan scheppen. Die daardoor sneller werd dan alle dieren, hoger ging vliegen dan de vogels. Zich steeds  beter wist te verdedigen, oorlogen kon ontketenen. De mensheid kan verheffen of uitroeien.

Mensen die daardoor ook onberekenbaar, gevaarlijk, gemeen werden. Middelen en methoden bedachten om anderen te belagen, in het gareel te houden, aan zich horig. Mensen maken tot middel. De monumenten van antieke heerlijkheden die het een en ander daarover vertellen. De geschiedenis van de mensheid die er vooral een is van roof. Die zuivere rede die ook daarin tot op het uiterste gaat.

De taal van de wiskunde als de meest logische en ondubbelzinnige. Bertrand Russell  (1872-1970). Maar die begint met axioma’s, niet te bewijzen stellingen. Zoals de kortste verbinding tussen twee punten is een rechte lijn. Die in kromme ruimte die niet mogelijk zijn. Waarvoor ook weer een wiskunde is te bedenken. Allemaal vanuit axioma’s. We zitten in een wereld waar we ook met deze taak niet uit kunnen.

Kennis en inzicht wordt verkregen door de wetenschap. Francis Bacon (1561-1626). ‘Geef dus het woord aan rationele denkers en doeners. De verhalen van Plato en Aristoteles; spinsels aan de binnenkant van het hoofd. Laat de dingen van de wereld hun verhaal vertellen door er steeds beter naar te luisteren. Objectief waarnemen en thesen proefondervindelijk, empirisch trachten te bewijzen. De uitkomsten nooit absoluut nemen, maar ze steeds weer proberen te weerleggen, almaar blijven zoeken naar de vraag in het antwoord.

Herstel van de academie, weten vrij van belangen en oordelen. Dat iedereen te kanvertrouwen en verantwoorden. De taal waarin we leven die daarmee op  één noemer brengen.

       Aan tafels van tien.

Je eigen taal ontwikkelen, een kwestie van lezen en luisteren, en dat toetsen aan je feiten, wat je zelf ziet, beleeft, ervaart. Een altijd betrekkelijk verhaal en daarin geloven. Geeft me je vragen, dan krijg je de mijne. Dat ieder mens uniek maakt, een persoonlijk denken en bedenken en daarmee ‘mens zijn’.

Daarmee een persoonlijke visies ontwikkelen voor je levensplan, wat wilt, kunt. Altijd in overleg met anderen, het collectief waarbij je hoort.

Een collectief dat naar dit verhaal van afronding voorziet in wat daar als basis voor nodig is. Plek om te wonen, werken, ondernemen. Alles hebben voor die persoonlijke ontplooiing. Met de taak dat te beheren en behouden, voor het collectief en volgende generaties.

Daarvoor met je visies aanschuiven aan de tafels voor gezamenlijk overleg. Tafels van hooguit tien, wil er sprake zijn van hoor en wederhoor voor alle deelnemers. Dan ook gebruikelijk voor overleg van verengingen, partijen, bedrijven. Waarbij met tien tafels van tien de standpunten van honderd mensen te bundelen zijn. Een burgerraad in die orde van grootte die een stadswijk die zo kan presenteren wat daarin in leeft, aan de orde is. Te delegeren naar een volgend niveau van overleg op die basis, de stad. Dat weer naar de staat, het continent, de Verenigde  Naties. Met vijf niveaus van overleg aan tafels van tien vanuit de visies van de individuele mens wereldwijd op één noemer komen. Een visie op een democratie die de diepte van de samenleving in gaat.

Een overleg aan tafels van tien vanuit persoonlijk verantwoorde visies van de deelnemers. Met de bereidheid ze ter discussie te stellen ten behoeve van het gezamenlijk standpunt.   De huidige democratie die zich vooral baseert op mensen aangeprate visies. Waarbij veel mensen zich die graag laten aanpraten. Door partijen ter bevordering van de unieke belangen waarvoor ze staan. Vaak ook om die zo buiten discussie te houden.

Organisaties die gestuurd worden vanaf tafels van tien. Met aan het hoofd de voorzitter om ze bij de les te houden, wat de doelen zijn. Naar buiten meestal ook het gezicht van zo’n team. Te beoordelen op de kwaliteit daarvan, het niveau van de te inspireren medewerkers, van die tafel dus. Die te lang onbestuurbaar wordt. Of in een applausmachine met jaknikkers ontaardt. De manager die van achter z’n bureau leiding geeft, commando’s geeft, boe roept. De regeringleiders, presidenten te boordelen op hun tafel, het team waarmee ze in feite wat zijn. Zij die daarin falen die in zichzelf verdwalen en gevaarlijk kunnen worden.

De leden van zo’n team die ieder voor zich weer zijn naar de tafel die zij voorzitten. De organisaties die daarmee z’n niveau van overleg krijgt. Des te platter des te beter ze functioneren, dichter op de werkvloer en de markt zitten. Meer dan vier niveaus dat overorganisatie betekent.

Een overleg aan tafels van tien tot op de individuele burger. Dat gelijk is aan dat van de markt die als ze goed werkt. vrij is eveneens afstemt op wat de consument wil. De vrije markt die het private kapitalisme van voor de afronding diende. De praktisch volmaakt duurzame en eerlijke afronding die eveneens niet zonder een afstemming tot op de individuele mens kan. Die met z’n eigen visies.

Visies vanuit de taal waarin men leeft. Vanuit onze geschiedenis en die we doorgeven. Nationale en internationale instituties die ze lezen en beoordelen op ons heden. Wetenschappen die vertellen wat waar is en wel of niet mogelijk, wat er te kiezen valt.   

Overleg dat faalt als belangen te ver uit elkaar liggen, de verschillen te groot zijn, een samenleving uit elkaar is gespeeld. Door het eigen gelijk dat het gelijk van anderen uitsluit. Diogenes  (400-325 vCr) leefde heel sober, in een ton. Naar z’n aard en met weinig nodig voor z’n overleven.  Vanuit zijn filosofie: ‘Streef naar zelfbeheersing en zelfvoorziening’.  Al het bestaande bezag hij met cynisme en agressiviteit, bewees het als overbodig en zinloos met zijn genoeg hebben aan die ton. Zijn tijdgenoten noemden Diogenes een hond. Hij was niet leuk noch gezellig.

Samenlevingen met grote gaten waarin mensen verdwijnen als vanzelfsprekendheden. Steenrijke steden met hun sloppenwijken, mensen op de stoep in tenten. Compleet genegeerd door hen die het gemaakt hebben. ‘Is er geen brood dan eet je toch taartjes’. Niet weten, willen weten wat er speelt. Voedselbanken, toch wel fijn dat die er  zijn. Wat waar is dat niet waar zou mogen zijn.

Het streven naar de reine levenswandel. Het agressief alternatieve van denken voor op te lopen, maar in feite alleen dwalen, het zich boven het gewone wanen, maar er daardoor buiten staan, omdat er binnen niets te betekenen. Gelijk krijgen dat belangrijker is dan gelijk hebben.

Niet meer mee mogen doen als een fundamenteel recht beschouwen. Laat iedereen het zelf uitzoeken. Met wel een claim op wat ze dank zij anderen zijn. Europa als een gevaar voor eigen identiteit. Sociaal zijn maar alleen nationaal.

Woke, mensen, voor jongeren die de dreigende vloedgolven van armoede, milieu, klimaat zien aankomen, gaan beleven. Die schreeuwen om wordt wakker. Die wanhopig zijn. Die zich dienen te beheersen.

 ‘De mondialisering die een virtuele hypermaatschappij creëert met alle middelen en macht in handen van een kleine minderheid.’ Jean Boudrillard (1927-2007). We zijn op weg naar parallelle en van elkaar gescheiden samenlevingen. De architecten die de steden opdelen in af te sluiten ruimten voor soort zoekt soort, met alleen nog openbare ruimten naar wat de dominante machten willen. De steden waarin tachtig procent loopt en fietst, primair inrichten voor de auto. De consumptiemens levend in de schijnwereld van reclames, het almaar verleidelijk verwarrend anders, in de hel van in feite steeds hetzelfde en niks nieuws. Het ontbreken van visies en daarmee perspectieven, versluierd  door de spektakels van het nieuws, het eigen gelijk op internet, media die kijkcijfers eisen. Politieke deformatie van waarheden en ongegeneerd gemeen op de tegenspeler inspelen. De actuele verwarring van zin en onzin in een zich vervolmakende wereld’.

‘De huidige generatie die daarmee staat voor een mondiale breuk, z’n filosofen opnieuw heeft te herlezen. Om zich daarmee een geschiedenis te geven en zo die kloof te overbruggen. Die door lering en verdieping tot een opnieuw en anders beginnen en elan te geven. Met echt zicht op verder en beter. Met dan wel de vraag hoeveel in staat zijn de fakkels van onze filosofen over te nemen. En zijn dat er voldoende als tegenwicht tegenover die boze burger. Is het zinkende schip nog te redden of bevindt het zich al in de staat van de Titanic?’ Geert Mak in een college tour in 2016. Onderin zien we immers al velen ten onder gaan, verkommeren achter hekken en muren, als ratten het schip verlaten. Het even ontroerende van een kinderlijkje op een strand. En dat dan snel vergeten.

Peter Sloterdijk (1947)  ‘Onze grote thema’s zijn niets anders dan ontwijkingen en halve waarheden. De huidige westerse maatschappij is vooral gebaseerd op nihilisme, met als antwoord cynisme. We moeten op zoek naar methoden om ons opnieuw te temmen, te oefenen voor het leven, immuun te maken voor gevaren, te ontworstelen aan het lot. Het lot dat iedereen opzadelt met een invalide begin, lichamelijk en geestelijk. Om vervolgens daarmee wat van het leven zien te maken, te proberen door oefening en training de eigen onvolkomenheden te compenseren. Waarin velen maar beperkt in slagen, slechts weinig wat van hun leven weten te maken.

Wat zich manifesteert in de anarchie van de volkswil vanuit woede over het lot getrokken en de onmacht om daarmee te leven. Met kwalijke politieke consequenties, de boze burger die vooral nee wil zeggen, het genante politieke debat dat met alles willen zeggen de werkelijke thema’s ontwijkt.

Met de vraag wat daaraan te doen, hoe nieuwe generaties te trainen voor het ongewisse van de moderne wereld, die elk geloof in het hogere of wijze meesters heeft afgezworen en alle moraal als vrijblijvend beschouwt.  Een wereld waarin zij die het wel even maken geen visies meer hebben, vooral afwachten wat er komt en bekijken hoe daarop adequaat valt te reageren, het veel te veel almaar laverend naar daarvoor veilige havens. De winnaars die het leven beleven als een bevrijding, die tevens destabiliserend werkt en elke illusie onderuit haalt, die immers weten van zowel winnen als verliezen. Verliezers die op zoek gaan naar troost en zo makkelijk prooi worden van de drugs van schijnzekerheden.’

Wat waar is dat anders moet. Hoe? Te bespreken aan die tafels van tien. Iedereen daarvoor uitnodigen. En dan ook mee gaan doen. Met eigen ideeën ontwikkelen en zo ook wat in te brengen hebben.  Leren luisteren naar mensen die wat te zeggen hebben. Socrates die al wist van het nut van bekwame officieren. Pandemieën die alleen met bekwame wetenschappers te bestrijden zijn. De huidige samenleving die niets is zonder goed opgeleide mensen. Die je wel moet kunnen vertrouwen.

Overleg om de gaten in onze maatschappij te dichten. Die afronding zich in die zien laten vervolmaken. Met dan een basis voor het zijn op aarde voor iedereen. In ascese. Waarvoor niet zo heel veel nodig is. Heel veel van die sprookjes voor de toekomst niet zo hoeven.

Gewoon een plek met een huis om te wonen, te werken, een  tuintje in de zon. Met uitloop in de natuur. Een eerlijk aandeel in die generatiebestendige erfenis. Van daaruit deelnemen aan het beheer en behoud van dat bestel. En dan altijd wat van je leven kunnen maken. Samen in een taal gaan leven die dat verhaal mogelijk maakt.

       En dan verder. 

Verder in de tijd de  mensheid gegeven. Waarschijn;ijk nog heel lang. Met de uitkomst van de afronding. Wat we er van maken, naar we gekozen hebben. Van eens alles al hebben en dat beheren en benouden. En dat op basis van gelijkwaardigheid. Waarmee we als mens zijn eens begonnen. Daarvan samen de vruchten plukken.

Met in eerste instantie de opgave van het opruimen van heel veel troep. De sanering van alles wat we hebben. Van wat Die in de weg staat, veel te veel is. Wat vervuilt, dat samenzijn verziekt. Beslissen waar we wel en niet mee verder willen. Plek en kansen voor onze voorfamilies. Krokodillen die er al zeventig miljoen jaren zijn. Die niet zonder water kunnen, met te veel  zon verbranden. Wat met waar wij mee bezig zijn zo maar kan gebeuren. Einde krokodil en inmiddels heel veel andere leden van onze voorfamilie.

D e afronding in ascese. Ons bevrijden van geestelijke troep. Dat ons denken en bedenken vertroebelt, verwart. Materiële troep die het brein uiteindelijk verziekt. Soldaatje spelen tot op in de echte oorlog. De samenleving verlossen  van z’n angsten, argwaan, rassenleer, haat, geweld. Van het neushoornhoornsyndroom, als man van dat hoorn beter presteren, inmiddels einde witte neushoorn. Het moeten mogen van ivoor dat olifanten doodt.

De afronding van ons denken en bedenken in filosoferen over hoe we verder willen. Met uitkomsten van die evolutie door ons heen. Op een basis van gelijkwaardigheid voor iedereen.

Voor het persoonlijke het ‘ik denk en dat ben ik’ met dat alles hebben van die gemeenschappelijke basis. Het persoonlijk het daarmee er zijn en dat verantwoorden. Daarmee dat zoeken en vinden een voor iedereen eigen  opgave. Die van het gegeven leven zelf iets mogen en kunnen maken. De mens die heel mooi kan zijn maar ook zo verschrikkelijk lelijk. In aanzet altijd uniek en met de neiging tot vervorming, verminking. Vanuit belevingen van onzekerheden, wanhoop. Gezond blijven, lichamelijk en geestelijk dat om persoonlijke inzet vraagt.

Binnen een collectief dat ondersteunt. Ieder mens zijn dat z’n basis heeft in de taal waarin men leeft. Daarmee het collectief waartoe men behoort, waarmee met praat, overlegt, filosofeert. Waarin nu geïsoleerde mensen zich beleven als niets en niemand.

Waarmee dat verder helemaal een zaak is van die taal. Het collectief z’n geschiedenis afronden op praktisch volmaakt daarvoor bruikbaar. Die dus almaar herschrijven tot op het eerlijke verhaal. Collectief te presenteren met de zorg voor die te kunnen lezen vanaf dat met die taal oplichten van dat mens zijn. Met aan de top van samenlevingen de academie voor dat verhaal en daarover filosoferen. Als basis van onderwijzen. leren, scholing, informatie voor iedereen. Met collectieve zorg van hen die niet meekomen, een deel van de mensheid die dat  genetisch niet gegeven is en blijft.

Een verhaal waarin de huidige opleiding en training van mensen voor de huidig economie, die van maken en verbruiken, secondair is. Primair nu gericht op de persoonlijke existentie.

De materiële afronding tot op het generaties bestendige. Plastic dat zich bewijst als uiterst bestendig. Oceanen die dat mede bewijzen. Alle generaties bestendige materialen alleen nog voor wat we nog maar één keer maken. En anders  biologisch afbreekbar of met standaard geschikt voor hergebruik. Dat heel goed kan. Verplicht private belangen schaadt. Ons bestel vanuit alleen private belangen. Dat met die  afronding nu uitkomt op vooral privaat bezit. Met z’n extremen, paleizen versus krottenwijken, de herenboerderijen en de plaggenhutten. Een bestel naar de ideologie van negatieve vrijheid, alleen die voor het eigen belang, de hebzucht als zegen  voor de maatschappij. Te vervangen door een geloof in positieve vrijheid, de vrijheid in gebondenheid. Gezamenlijk, democratisch over een te komen. Niet meer als weer een remmende ideologie maar om de toekomst voor volgende generaties  open te houden. Door de tijden steeds weer anders in te vullen.

Ons verhaal dat zich praktisch volmaakt afrondt. Naar de wil van het materiële. Waarmee we alles kunnen maken naar wat wij willen. En weten te bedenken. Structuren, constructies van duurzame materialen voor vele eeuwen. Met design door de tijden te beleven als mooi, kostbaar erfgoed. Die wat mogen kosten.

Het verhaal van de krokodil dat de evolutie geschreven heeft in z’n DNA. Een product dat zich bewijst als uiterst generaties bestendig. Dat van de mammoet dat uit de diepvries van het hoge noorden is opgediept. Waarmee we die mammoet misschien weer tot leven kunnen brengen. een schier eindeloos lijkend weten. Dat zich eveneens afrondt tot op de grenzen van het voor ons mogelijke weten. De natuurwetenschappen die al stranden op de elementaire deeltjes.

De mensheid die nog heel lang te gaan met ook wat wij niet weten. Haar toekomst die zich dan ook niet laat voorspellen nog dicteren. Die we vooral open moeten laten, met positieve vrijheid. Nu zien te redden wat nog te redden valt. Die afronding niet laten mislukken. Die anders uiterst gewelddadig wordt. Mannen die al spelen met de middelen daarvoor. Het ecosysteem dat daar geen probleem mee heeft. Ons denken, bedenken en verantwoorden wel.

De aarde en het universum die vervelend kunnen uithalen. De zon die het eens voor gezien houdt. We dan worden afgerond op sterrenstof. Voor weer een nieuw verhaal? We altijd een tijdelijk verhaal zijn. Met even iets een immaterieels in dat materiële mysterie. Inmiddels elektromagnetisch geschreven de ruimte in. In een rond heelal? Waarin het dan misschien wel lang blijft rondzingen. Samen met verhalen van vele andere? Daarnaar gaan luisteren. Muziek die we dan als eerste en het beste zullen begrijpen.

Willem Semeins, 2022.

 

Literatuur.

Hans Achterberg – de utopie van de vrije markt.

Jean Baudrillard en Jean Nouvel- Filosofie in dialoog.

Sven Beckert – Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie.

Gegory Bergman – Filsofie voor in bed, op het toilet, of in bad.

C.P.Bertels en E.J.Petersma – Filosofen van de twintigste eeuw.

Rutger  Bregman _ De meeste mensen deugen.

W.Durant – In den hof der wijsbegeerte. Van Socrates tot Bergson.

Peter Frankopan – De zijdenrouten.

Victor Lamme – De vrije wil bestaat niet.

J.Luyendijk – Dit kan niet waar zijn.

Ruben Mersch - Oogkleppen . 

Philip Stokes – Filosofie. 100 essentiële denkers.

Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten.

Dick Swaab – Wij zijn ons brein.

A.Vloemans – Leven en leer der grote denkers.

Frans de Waal – Een tijd voor empathie.

Wikipedia

Kranten,  tv.

www.willemsemeins.nl